schilfer
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een vliesdun loskomend stukje materiaal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schilfers | meervoud |
| schilfertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schilfertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schilferen
- gebiedende wijs van schilferen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schilferen
Vervoeging van schilfer
schilferhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘afgebroken blaadje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1546
Woordfamilie van schilfer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schilfers | meervoud | schilfer |
| schilfertje | verkleinwoord | schilfer |
| schilfertjes | verkleinwoord meervoud | schilfer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schilfer zijn vastgelegd.