schetteren
werkwoordBetekenis
- lawaai maken zoals een ekster
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van schetteren
schetterenhele werkwoord — schetterdeverleden tijd enkelvoud — schetterdenverleden tijd meervoud — geschetterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schetter | schetterde |
| jij | schettert | schetterde |
| hij, zij, het | schettert | schetterde |
| wij | schetteren | schetterden |
| jullie | schetteren | schetterden |
| zij | schetteren | schetterden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geschetterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschetterd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschetterd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschetterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschetterd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschetterd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschetterd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschetterd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschetterd | verleden tijd, deelwoord |
| geschetterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschetterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschetterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschetterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschetterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschetterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschetterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschetterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschetterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschetterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschetterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschetterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschetterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschetterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschetterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschetterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschetterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schetter | gebiedende wijs |
| schetterde | verleden tijd |
| schettere | aanvoegende wijs |
| schetterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschetterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schetteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schetteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschetterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschetterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschetterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schetteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schetteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schetteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschetterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschetterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschetterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schetteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schetteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schetteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschetterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschetterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschetterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schetteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schetteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schetteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschetterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schetteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschetterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschetterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschetterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schetteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schetteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schetteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schetteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschetterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schetteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘schel geluid geven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1556
Woordfamilie van schetteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschetterd | voltooid deelwoord | schetteren |
| schetter | gebiedende wijs | schetteren |
| schetterde | verleden tijd | schetteren |
| schetterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schetteren |
| schettere | aanvoegende wijs | schetteren |
| schetterend | onvoltooid deelwoord | schetteren |
| schetterende | woordvorm | schetteren |
| schettert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schetteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schetteren zijn vastgelegd.