scheuken
werkwoordBetekenis
- zich ~: zich schurken, zich wrijven
Vervoeging van scheuken
scheukenhele werkwoord — gescheuktvoltooid deelwoord
Alle 36 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gescheukt | verleden tijd, deelwoord |
| scheuk me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| scheuk u/je , scheukt je | gebiedende wijs |
| scheuke zich | aanvoegende wijs |
| scheuken je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| scheuken ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| scheuken zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| scheukt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| scheukt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| scheukt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| scheukt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| scheukt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| scheukt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| scheukte | verleden tijd |
| scheukte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| scheukte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| scheukte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| scheukte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| scheukte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| scheukte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| scheukte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| scheukten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| scheukten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| scheukten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| zal me scheuken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich scheuken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je scheuken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gescheukt hebben | verleden tijd |
| zich scheukend | onvoltooid, deelwoord |
| zullen je scheuken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons scheuken | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich scheuken | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u scheuken | tweede persoon |
| zult u scheuken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u scheuken | tweede persoon |
| zult zich/u scheuken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordfamilie van scheuken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gescheukt | voltooid deelwoord | scheuken |
| scheuk | woordvorm | scheuken |
| scheuke | woordvorm | scheuken |
| scheukend | woordvorm | scheuken |
| scheukende | woordvorm | scheuken |
| scheukt | woordvorm | scheuken |
| scheukte | verleden tijd | scheuken |
| scheukten | woordvorm | scheuken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scheuken zijn vastgelegd.