scherm
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈsxɛrᵊmBetekenis
- wat dient om te zorgen dat je iets niet kunt zien, of ter bescherming
- (ongevallenpreventie)
- vlak waarop beelden en teksten worden geprojecteerd
- een bloeiwijze waarbij alle zijassen (bloemstelen) uit één punt ontspringen
Hoe spreek je scherm uit?
/ˈsxɛrəm/
Scherm bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| ə | de |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- soort van doek zn wat iets anders aan het zicht moet onttrekken, of gebruikt wordt ter bescherming
- de monitor zn van een toestel
- een onderdeel van een bioscoop
- een projectiescherm
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schermen | meervoud |
| schermpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schermpjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schermen
- gebiedende wijs van schermen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schermen
Vervoeging van scherm
schermhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands scherm van Oudnederlands skirm, in de betekenis van ‘bescherming’ aangetroffen vanaf 1100
Woordfamilie van scherm
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schermpje | verkleinwoord | scherm |
| schermpjes | verkleinwoord meervoud | scherm |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scherm zijn vastgelegd.