schenden
werkwoord /sxɛndə(n)/Betekenis
- iets niet in acht nemen
- te schande maken
- bederven, verderven, aantasten, beschadigen
Hoe spreek je schenden uit?
/sxɛndən/
Schenden bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
Vervoeging van schenden
schendenhele werkwoord — schondverleden tijd enkelvoud — schondenverleden tijd meervoud — geschondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schend | schond |
| jij | schendt | schond |
| hij, zij, het | schendt | schond |
| wij | schenden | schonden |
| jullie | schenden | schonden |
| zij | schenden | schonden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geschonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geschonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geschonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschonden | verleden tijd, deelwoord |
| geschonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geschonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geschonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schend | gebiedende wijs |
| schende | aanvoegende wijs |
| schendend | onvoltooid, deelwoord |
| schond | verleden tijd |
| te hebben geschonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schenden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geschonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geschonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geschonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geschonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geschonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geschonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geschonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geschonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geschonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geschonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geschonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geschonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geschonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geschonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geschonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geschonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geschonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geschonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geschonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geschonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geschonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geschonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geschonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geschonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geschonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geschonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geschonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geschonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geschonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geschonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschonden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschonden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘schade berokkenen’ voor het eerst aangetroffen in 1220
Woordfamilie van schenden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschonden | voltooid deelwoord | schenden |
| schend | gebiedende wijs | schenden |
| schende | aanvoegende wijs | schenden |
| schendend | onvoltooid deelwoord | schenden |
| schendende | woordvorm | schenden |
| schendt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schenden |
| schond | verleden tijd | schenden |
| schonden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schenden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schenden zijn vastgelegd.