schemeren
werkwoord /ˈsxemərə(n)/Betekenis
- donker of licht worden, tussen licht en donker zijn
Hoe spreek je schemeren uit?
/ˈsxemərən/
Schemeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| e | veel |
| m | maan |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van schemeren
schemerenhele werkwoord — schemerdeverleden tijd enkelvoud — schemerdenverleden tijd meervoud — geschemerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schemer | schemerde |
| jij | schemert | schemerde |
| hij, zij, het | schemert | schemerde |
| wij | schemeren | schemerden |
| jullie | schemeren | schemerden |
| zij | schemeren | schemerden |
Alle 58 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geschemerd | verleden tijd, deelwoord |
| geschemerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschemerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschemerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschemerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschemerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschemerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschemerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschemerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschemerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschemerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschemerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschemerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschemerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschemerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschemerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschemerd | verleden tijd, deelwoord |
| heeft geschemerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschemerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schemer | gebiedende wijs |
| schemerde | verleden tijd |
| schemere | aanvoegende wijs |
| schemerend | onvoltooid, deelwoord |
| schemert | tegenwoordige tijd |
| te hebben geschemerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schemeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schemeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschemerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschemerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschemerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schemeren | toekomende tijd |
| zal schemeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schemeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schemeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschemerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschemerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschemerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schemeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schemeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schemeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschemerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschemerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschemerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schemeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schemeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schemeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschemerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schemeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschemerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschemerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschemerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schemeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schemeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schemeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schemeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschemerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schemeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘tussen licht en donker zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van schemeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschemerd | voltooid deelwoord | schemeren |
| schemerde | verleden tijd | schemeren |
| schemerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schemeren |
| schemere | aanvoegende wijs | schemeren |
| schemerend | onvoltooid deelwoord | schemeren |
| schemerende | woordvorm | schemeren |
| schemert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schemeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schemeren zijn vastgelegd.