scheefgroeien
werkwoordBetekenis
- op een verkeerde wijze groeien, tot iets scheefs verworden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van scheefgroeien
scheefgroeienhele werkwoord — groeide scheefverleden tijd enkelvoud — groeiden scheefverleden tijd meervoud — scheefgegroeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | groei scheef | groeide scheef |
| jij | groeit scheef | groeide scheef |
| hij, zij, het | groeit scheef | groeide scheef |
| wij | groeien scheef | groeiden scheef |
| jullie | groeien scheef | groeiden scheef |
| zij | groeien scheef | groeiden scheef |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben scheefgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent scheefgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| groei scheef | gebiedende wijs |
| groeide scheef | verleden tijd |
| is scheefgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is scheefgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| scheef te groeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| scheef te zullen groeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| scheef zal groeien | bijzin, toekomende tijd |
| scheef zou groeien | bijzin, voorwaardelijk |
| scheef zouden groeien | bijzin, voorwaardelijk |
| scheef zoudt groeien | bijzin, voorwaardelijk |
| scheef zullen groeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| scheef zullen groeien | bijzin, toekomende tijd |
| scheef zult groeien | bijzin, toekomende tijd |
| scheefgegroeid | verleden tijd, deelwoord |
| scheefgegroeid te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| scheefgegroeid zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| scheefgroei | bijzin, tegenwoordige tijd |
| scheefgroeide | bijzin, verleden tijd |
| scheefgroeiden | bijzin, verleden tijd |
| scheefgroeiend | onvoltooid, deelwoord |
| scheefgroeit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te zijn scheefgegroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen scheefgroeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart scheefgegroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren scheefgegroeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren scheefgegroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren scheefgegroeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was scheefgegroeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was scheefgegroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was scheefgegroeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal scheefgegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal scheefgegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal scheefgegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal scheefgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal scheefgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal scheefgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal scheefgroeien | bijzin, toekomende tijd |
| zijn scheefgegroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn scheefgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn scheefgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn scheefgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt scheefgegroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou scheefgegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou scheefgegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou scheefgegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou scheefgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou scheefgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou scheefgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou scheefgroeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) scheefgroeien scheef zou(dt) groeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden scheefgegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden scheefgegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden scheefgegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden scheefgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden scheefgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden scheefgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden scheefgroeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt scheefgegroeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt scheefgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt scheefgroeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen scheefgegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen scheefgegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen scheefgegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen scheefgroeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen scheefgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen scheefgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen scheefgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen scheefgroeien | bijzin, toekomende tijd |
| zult scheefgegroeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult scheefgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult scheefgroeien | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal scheefgroeien scheef zult/zal groeien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van scheef en groeien
Woordfamilie van scheefgroeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| groei scheef | gebiedende wijs | scheefgroeien |
| groeide scheef | verleden tijd | scheefgroeien |
| groeiden scheef | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | scheefgroeien |
| groeie scheef | woordvorm | scheefgroeien |
| groeien scheef | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | scheefgroeien |
| groeit scheef | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | scheefgroeien |
| scheefgegroeid | voltooid deelwoord | scheefgroeien |
| scheefgegroeide | woordvorm | scheefgroeien |
| scheefgroei | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | scheefgroeien |
| scheefgroeide | subordinate-clause, verleden tijd | scheefgroeien |
| scheefgroeiden | subordinate-clause, verleden tijd | scheefgroeien |
| scheefgroeie | with-subordinate-clause | scheefgroeien |
| scheefgroeiend | onvoltooid deelwoord | scheefgroeien |
| scheefgroeiende | woordvorm | scheefgroeien |
| scheefgroeit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | scheefgroeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scheefgroeien zijn vastgelegd.