scharen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- (van een motorvoertuig met aanhanger) in een stand geraken waarin de assen van de één een hoek met elkaar maken met die van de ander
- (van vissen) kuitschieten
- bij elkaar, tot een geheel opstellen
- zich ~ achter/om/bij zich aansluiten bij een groep (schare)
- tribadisme, een seksuele handeling waarbij twee vrouwen hun vulva tegen elkaar aanwrijven en zo elkaars clitoris stimuleren
werkwoord
- in een stand geraken waarin de assen van de één een hoek met elkaar maken met die van de ander intransitive
- kuitschieten intransitive
Vervoeging van scharen
scharenhele werkwoord — schaardeverleden tijd enkelvoud — schaardenverleden tijd meervoud — geschaardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schaar | schaarde |
| jij | schaart | schaarde |
| hij, zij, het | schaart | schaarde |
| wij | scharen | schaarden |
| jullie | scharen | schaarden |
| zij | scharen | schaarden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geschaard | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschaard | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschaard | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschaard | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschaard worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschaard zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschaard worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschaard zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschaard | verleden tijd, deelwoord |
| geschaard te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschaard te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschaard te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaard te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaard te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaard worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschaard zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschaard zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschaard zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschaard zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schaar | gebiedende wijs |
| schaar me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| schaar u/je , schaart je | gebiedende wijs |
| schaarde | verleden tijd |
| schaarde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schaarde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schaarde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| schaarde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| schaarde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schaarde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| schaarde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| schaarden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| schaarden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| schaarden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| schaart je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| schaart u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schaart u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schaart zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| schaart zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schaart zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schare | aanvoegende wijs |
| schare zich | aanvoegende wijs |
| scharen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| scharen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| scharen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| scharend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te scharen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen scharen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geschaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geschaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geschaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geschaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geschaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geschaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geschaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geschaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geschaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geschaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geschaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geschaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geschaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geschaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geschaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geschaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geschaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geschaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geschaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me scharen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal scharen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal scharen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal scharen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich scharen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je scharen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich geschaard hebben | verleden tijd |
| zich scharend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geschaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geschaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou scharen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou scharen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou scharen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geschaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geschaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden scharen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden scharen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden scharen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt scharen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schaar
Herkomst
In de betekenis van ‘toewijzen van aandeel in de markgronden’ voor het eerst aangetroffen in 1404
Woordfamilie van scharen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schaart | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | scharen |
| scharend | onvoltooid deelwoord | scharen |
| scharende | woordvorm | scharen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scharen zijn vastgelegd.