Naar de inhoud

scharen

(van een motorvoertuig met aanhanger) in een stand geraken waarin de assen van de één een hoek met elkaar maken met die van de ander

scharen is meer dan één woord

scharen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. (van een motorvoertuig met aanhanger) in een stand geraken waarin de assen van de één een hoek met elkaar maken met die van de ander
  2. (van vissen) kuitschieten
  3. bij elkaar, tot een geheel opstellen
  4. zich ~ achter/om/bij zich aansluiten bij een groep (schare)
  5. tribadisme, een seksuele handeling waarbij twee vrouwen hun vulva tegen elkaar aanwrijven en zo elkaars clitoris stimuleren

werkwoord

  1. in een stand geraken waarin de assen van de één een hoek met elkaar maken met die van de ander intransitive
  2. kuitschieten intransitive

Vervoeging van scharen

scharenhele werkwoord — schaardeverleden tijd enkelvoud — schaardenverleden tijd meervoud — geschaardvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schaar schaarde
jij schaart schaarde
hij, zij, het schaart schaarde
wij scharen schaarden
jullie scharen schaarden
zij scharen schaarden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geschaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geschaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geschaard impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geschaard impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geschaard impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geschaard impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geschaard worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geschaard zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geschaard worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geschaard zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geschaard verleden tijd, deelwoord
geschaard te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschaard te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschaard te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschaard te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschaard te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschaard worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschaard zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschaard zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschaard zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschaard zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschaard actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geschaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geschaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schaar gebiedende wijs
schaar me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
schaar u/je , schaart je gebiedende wijs
schaarde verleden tijd
schaarde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
schaarde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
schaarde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
schaarde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
schaarde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
schaarde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
schaarde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
schaarden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
schaarden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
schaarden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
schaart je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
schaart u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
schaart u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
schaart zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
schaart zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
schaart zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
schare aanvoegende wijs
schare zich aanvoegende wijs
scharen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
scharen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
scharen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
scharend onvoltooid, deelwoord
te hebben geschaard actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te scharen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen scharen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geschaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geschaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geschaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geschaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geschaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geschaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geschaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geschaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geschaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geschaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geschaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geschaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geschaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geschaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geschaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geschaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geschaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geschaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geschaard hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschaard hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschaard hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geschaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geschaard zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschaard zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me scharen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal scharen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal scharen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal scharen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich scharen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je scharen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich geschaard hebben verleden tijd
zich scharend onvoltooid, deelwoord
zijn geschaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geschaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geschaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geschaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geschaard hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschaard hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschaard hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geschaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geschaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschaard zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschaard zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschaard zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou scharen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou scharen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou scharen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschaard hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschaard hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschaard hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geschaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geschaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschaard zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschaard zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschaard zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden scharen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden scharen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden scharen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschaard hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschaard zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt scharen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschaard hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschaard hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschaard hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord schaar

Herkomst

In de betekenis van ‘toewijzen van aandeel in de markgronden’ voor het eerst aangetroffen in 1404

Woordfamilie van scharen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
schaart aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon scharen
scharend onvoltooid deelwoord scharen
scharende woordvorm scharen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scharen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over scharen

Wat betekent scharen?
Scharen is een werkwoord. Het woord betekent: (van een motorvoertuig met aanhanger) in een stand geraken waarin de assen van de één een hoek met elkaar maken met die van de ander. Deze pagina beschrijft 7 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je scharen?
Je vervoegt scharen als volgt: de tegenwoordige tijd is schaar, de verleden tijd is schaarde en het voltooid deelwoord is geschaard. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord scharen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. A 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

scharen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 118 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. A 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 16 zonder bonus
  9. 118 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

scharen telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

scharen in het kort

scharen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 7 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van scharen zijn 103 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort scharen bij een woordfamilie van 3 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

scharen: (van een motorvoertuig met aanhanger) in een stand geraken waarin de assen van de één een hoek met elkaar maken met die van de ander
Deel scharen — standaardnederlands.nl