schampen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- (vrijwel) stilstaand voorwerp rakelings treffen
- elkaar ~ als tegenliggers rakelings treffen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
werkwoord
- stilstaand voorwerp rakelings treffen transitive
Vervoeging van schampen
schampenhele werkwoord — schampteverleden tijd enkelvoud — schamptenverleden tijd meervoud — geschamptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schamp | schampte |
| jij | schampt | schampte |
| hij, zij, het | schampt | schampte |
| wij | schampen | schampten |
| jullie | schampen | schampten |
| zij | schampen | schampten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geschampt | verleden tijd, deelwoord |
| geschampt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschampt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschampt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschampt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschampt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschampt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschampt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschampt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschampt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschampt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschampt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschampt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschampt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschampt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschampt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschampt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschampt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schamp | gebiedende wijs |
| schampe | aanvoegende wijs |
| schampend | onvoltooid, deelwoord |
| schampte | verleden tijd |
| te hebben geschampt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schampen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schampen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschampt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschampt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschampt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schampen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schampen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schampen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschampt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschampt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschampt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schampen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schampen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schampen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschampt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschampt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschampt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schampen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schampen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schampen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschampt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schampen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschampt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschampt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschampt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schampen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schampen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schampen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schampen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschampt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schampen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schamp
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘afglijden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van schampen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschampt | voltooid deelwoord | schampen |
| geschampte | woordvorm | schampen |
| schampe | aanvoegende wijs | schampen |
| schampend | onvoltooid deelwoord | schampen |
| schampende | woordvorm | schampen |
| schampt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schampen |
| schampte | verleden tijd | schampen |
| schampten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schampen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schampen zijn vastgelegd.