schamper
bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- van geringschatting getuigend, spottend
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schamperder | onverbogen, vergrotende trap |
| schamperdere | verbogen, vergrotende trap |
| schamperders | partitief, vergrotende trap |
| schampere | verbogen, stellende trap |
| schampers | partitief, stellende trap |
| schamperst | onverbogen, overtreffende trap |
| schamperste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schamperen
- gebiedende wijs van schamperen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schamperen
Vervoeging van schamper
schamperhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘spottend’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van schamper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schamperder | vergrotende trap | schamper |
| schamperdere | verbogen vergrotende trap | schamper |
| schamperders | partitieve vergrotende trap | schamper |
| schampers | partitive, positive | schamper |
| schamperst | uninflected, superlative | schamper |
| schamperste | inflected, superlative | schamper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schamper zijn vastgelegd.