Naar de inhoud

samenvallen

gelijktijdig plaatsvinden

samenvallen

werkwoord

Betekenis

  1. gelijktijdig plaatsvinden
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van samenvallen

samenvallenhele werkwoord — viel samenverleden tijd enkelvoud — vielen samenverleden tijd meervoud — samengevallenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik val samen viel samen
jij valt samen viel samen
hij, zij, het valt samen viel samen
wij vallen samen vielen samen
jullie vallen samen vielen samen
zij vallen samen vielen samen
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben samengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent samengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is samengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is samengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
samen te vallen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
samen te zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
samen zal vallen bijzin, toekomende tijd
samen zou vallen bijzin, voorwaardelijk
samen zouden vallen bijzin, voorwaardelijk
samen zoudt vallen bijzin, voorwaardelijk
samen zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
samen zullen vallen bijzin, toekomende tijd
samen zult vallen bijzin, toekomende tijd
samengevallen verleden tijd, deelwoord
samengevallen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
samengevallen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
samenval bijzin, tegenwoordige tijd
samenvallend onvoltooid, deelwoord
samenvalt bijzin, tegenwoordige tijd
samenviel bijzin, verleden tijd
samenvielen bijzin, verleden tijd
te zijn samengevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen samenvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
val samen gebiedende wijs
viel samen verleden tijd
waart samengevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren samengevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren samengevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren samengevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was samengevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was samengevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was samengevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal samengevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal samengevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal samengevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal samenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal samenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal samenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal samenvallen bijzin, toekomende tijd
zijn samengevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn samengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn samengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn samengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt samengevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou samengevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou samengevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou samengevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou samenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou samenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou samenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou samenvallen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) samenvallen samen zou(dt) vallen bijzin, voorwaardelijk
zouden samengevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden samengevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden samengevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden samenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden samenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden samenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden samenvallen bijzin, voorwaardelijk
zoudt samengevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt samenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt samenvallen bijzin, voorwaardelijk
zullen samengevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen samengevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen samengevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen samenvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen samenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen samenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen samenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen samenvallen bijzin, toekomende tijd
zult samengevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult samenvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult samenvallen bijzin, toekomende tijd
zult/zal samenvallen samen zult/zal vallen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van samen en vallen

Woordfamilie van samenvallen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
samengevallen voltooid deelwoord samenvallen
samenval subordinate-clause, tegenwoordige tijd samenvallen
samenvalle with-subordinate-clause samenvallen
samenvalt subordinate-clause, tegenwoordige tijd samenvallen
samenviel subordinate-clause, verleden tijd samenvallen
samenvielen subordinate-clause, verleden tijd samenvallen
val samen gebiedende wijs samenvallen
valle samen woordvorm samenvallen
vallen samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon samenvallen
valt samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon samenvallen
viel samen verleden tijd samenvallen
vielen samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon samenvallen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenvallen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over samenvallen

Wat betekent samenvallen?
Samenvallen is een werkwoord. Het woord betekent: gelijktijdig plaatsvinden. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je samenvallen?
Je vervoegt samenvallen als volgt: het voltooid deelwoord is samengevallen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord samenvallen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. V 4
  7. A 1
  8. L 3
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

samenvallen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. V 4
  7. A 1
  8. L 3
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

samenvallen in het kort

samenvallen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van samenvallen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort samenvallen bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

samenvallen: gelijktijdig plaatsvinden
Deel samenvallen — standaardnederlands.nl