samenvallen
werkwoordBetekenis
- gelijktijdig plaatsvinden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van samenvallen
samenvallenhele werkwoord — viel samenverleden tijd enkelvoud — vielen samenverleden tijd meervoud — samengevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val samen | viel samen |
| jij | valt samen | viel samen |
| hij, zij, het | valt samen | viel samen |
| wij | vallen samen | vielen samen |
| jullie | vallen samen | vielen samen |
| zij | vallen samen | vielen samen |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben samengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent samengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is samengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is samengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| samen te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samen te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samen zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| samen zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samen zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| samen zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| samengevallen | verleden tijd, deelwoord |
| samengevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samenval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenvallend | onvoltooid, deelwoord |
| samenvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenviel | bijzin, verleden tijd |
| samenvielen | bijzin, verleden tijd |
| te zijn samengevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen samenvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| val samen | gebiedende wijs |
| viel samen | verleden tijd |
| waart samengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren samengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was samengevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was samengevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was samengevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal samengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal samengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal samenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal samenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal samenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal samenvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn samengevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn samengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn samengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn samengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt samengevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou samengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou samenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou samenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou samenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou samenvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) samenvallen samen zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden samenvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt samengevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt samenvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen samengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samenvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen samenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen samenvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult samengevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult samenvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult samenvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal samenvallen samen zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van samen en vallen
Woordfamilie van samenvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| samengevallen | voltooid deelwoord | samenvallen |
| samenval | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenvallen |
| samenvalle | with-subordinate-clause | samenvallen |
| samenvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenvallen |
| samenviel | subordinate-clause, verleden tijd | samenvallen |
| samenvielen | subordinate-clause, verleden tijd | samenvallen |
| val samen | gebiedende wijs | samenvallen |
| valle samen | woordvorm | samenvallen |
| vallen samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | samenvallen |
| valt samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | samenvallen |
| viel samen | verleden tijd | samenvallen |
| vielen samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | samenvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenvallen zijn vastgelegd.