samenvatten
werkwoordBetekenis
- inkorten zonder dat de belangrijkste punten verloren gaan
Vervoeging van samenvatten
samenvattenhele werkwoord — vatte samenverleden tijd enkelvoud — vatten samenverleden tijd meervoud — samengevatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vat samen | vatte samen |
| jij | vat samen | vatte samen |
| hij, zij, het | vat samen | vatte samen |
| wij | vatten samen | vatten samen |
| jullie | vatten samen | vatten samen |
| zij | vatten samen | vatten samen |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben samengevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent samengevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is samengevat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was samengevat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd samengevat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt samengevat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal samengevat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal samengevat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou samengevat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou samengevat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had samengevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had samengevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had samengevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden samengevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden samengevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden samengevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt samengevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb samengevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengevat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben samengevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben samengevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt samengevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is samengevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is samengevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| samen te vatten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samen te zullen vatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samen zal vatten | bijzin, toekomende tijd |
| samen zou vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zouden vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zoudt vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zullen vatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samen zullen vatten | bijzin, toekomende tijd |
| samen zult vatten | bijzin, toekomende tijd |
| samengevat | verleden tijd, deelwoord |
| samengevat te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samengevat te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samengevat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengevat te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengevat te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengevat worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| samengevat zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| samengevat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samengevat zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samengevat zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samenvat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenvatte | bijzin, verleden tijd |
| samenvattend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben samengevat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen samenvatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vat samen | gebiedende wijs |
| vatte samen | verleden tijd |
| waart samengevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren samengevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was samengevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was samengevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was samengevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd samengevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd samengevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd samengevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden samengevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden samengevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden samengevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt samengevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word samengevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden samengevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden samengevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden samengevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt samengevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt samengevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal samengevat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengevat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal samengevat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal samengevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal samengevat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengevat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal samenvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal samenvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal samenvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal samenvatten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn samengevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn samengevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn samengevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt samengevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou samengevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou samengevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou samengevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou samenvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou samenvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou samenvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou samenvatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) samenvatten samen zou(dt) vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samengevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samengevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samengevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samengevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samengevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samenvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samenvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samenvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden samenvatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt samengevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samengevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samengevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samenvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt samenvatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen samengevat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengevat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengevat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samengevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samengevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samengevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samengevat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengevat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengevat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samenvatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen samenvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samenvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samenvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen samenvatten | bijzin, toekomende tijd |
| zult samengevat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult samengevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult samengevat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van samen en vatten
Woordfamilie van samenvatten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| samengevat | voltooid deelwoord | samenvatten |
| samengevatte | woordvorm | samenvatten |
| samenvat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenvatten |
| samenvatte | subordinate-clause, verleden tijd | samenvatten |
| vat samen | gebiedende wijs | samenvatten |
| vatte samen | verleden tijd | samenvatten |
| vatten samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | samenvatten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenvatten zijn vastgelegd.