Naar de inhoud

samenspelen

in het spelen samenwerken

samenspelen is meer dan één woord

samenspelen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. in het spelen samenwerken

Vervoeging van samenspelen

samenspelenhele werkwoord — speelde samenverleden tijd enkelvoud — speelden samenverleden tijd meervoud — samengespeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speel samen speelde samen
jij speelt samen speelde samen
hij, zij, het speelt samen speelde samen
wij spelen samen speelden samen
jullie spelen samen speelden samen
zij spelen samen speelden samen
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had samengespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had samengespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had samengespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden samengespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden samengespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden samengespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt samengespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb samengespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben samengespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben samengespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben samengespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben samengespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt samengespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft samengespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft samengespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
samen te spelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
samen te zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
samen zal spelen bijzin, toekomende tijd
samen zou spelen bijzin, voorwaardelijk
samen zouden spelen bijzin, voorwaardelijk
samen zoudt spelen bijzin, voorwaardelijk
samen zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
samen zullen spelen bijzin, toekomende tijd
samen zult spelen bijzin, toekomende tijd
samengespeeld verleden tijd, deelwoord
samengespeeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
samengespeeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
samenspeel bijzin, tegenwoordige tijd
samenspeelde bijzin, verleden tijd
samenspeelden bijzin, verleden tijd
samenspeelt bijzin, tegenwoordige tijd
samenspelend onvoltooid, deelwoord
speel samen gebiedende wijs
speelde samen verleden tijd
te hebben samengespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen samenspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal samengespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal samengespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal samengespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal samenspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal samenspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal samenspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal samenspelen bijzin, toekomende tijd
zou samengespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou samengespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou samengespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou samenspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou samenspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou samenspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou samenspelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) samenspelen samen zou(dt) spelen bijzin, voorwaardelijk
zouden samengespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden samengespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden samengespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden samenspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden samenspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden samenspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden samenspelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt samengespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt samenspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt samenspelen bijzin, voorwaardelijk
zullen samengespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen samengespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen samengespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen samenspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen samenspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen samenspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen samenspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen samenspelen bijzin, toekomende tijd
zult samengespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult samenspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult samenspelen bijzin, toekomende tijd
zult/zal samenspelen samen zult/zal spelen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord samenspel

Herkomst

samenstelling van samen en spelen

Woordfamilie van samenspelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
samengespeeld voltooid deelwoord samenspelen
samenspeel subordinate-clause, tegenwoordige tijd samenspelen
samenspeelde subordinate-clause, verleden tijd samenspelen
samenspeelden subordinate-clause, verleden tijd samenspelen
samenspeelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd samenspelen
samenspele with-subordinate-clause samenspelen
samenspelend onvoltooid deelwoord samenspelen
samenspelende woordvorm samenspelen
speel samen gebiedende wijs samenspelen
speelde samen verleden tijd samenspelen
speelden samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon samenspelen
speelt samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon samenspelen
spele samen woordvorm samenspelen
spelen samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon samenspelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenspelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over samenspelen

Wat is de betekenis van samenspelen?
Samenspelen is een werkwoord. De betekenis is: in het spelen samenwerken.
Hoe vervoeg ik samenspelen?
Zo vervoeg je samenspelen zo: het voltooid deelwoord is samengespeeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord samenspelen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. S 2
  7. P 3
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

samenspelen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. S 2
  7. P 4
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 zonder bonus
  13. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

samenspelen in het kort

samenspelen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van samenspelen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort samenspelen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

samenspelen: in het spelen samenwerken
Deel samenspelen — standaardnederlands.nl