samenspraak
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het samenspreken, het gesprek tussen een aantal personen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| samenspraakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| samenspraakjes | verkleinwoord, meervoud |
| samenspraken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van samen en spraak
Woordfamilie van samenspraak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| samenspraakje | verkleinwoord | samenspraak |
| samenspraakjes | verkleinwoord meervoud | samenspraak |
| samenspraken | meervoud | samenspraak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenspraak zijn vastgelegd.