Naar de inhoud

samenspannen

een groep bijeenbrengen om geheime, vaak verraderlijke, plannen te ontvouwen

samenspannen

werkwoord

Betekenis

  1. een groep bijeenbrengen om geheime, vaak verraderlijke, plannen te ontvouwen

Vervoeging van samenspannen

samenspannenhele werkwoord — spande samenverleden tijd enkelvoud — spanden samenverleden tijd meervoud — samengespannenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik span samen spande samen
jij spant samen spande samen
hij, zij, het spant samen spande samen
wij spannen samen spanden samen
jullie spannen samen spanden samen
zij spannen samen spanden samen
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is samengespannen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was samengespannen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd samengespannen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt samengespannen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal samengespannen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal samengespannen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou samengespannen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou samengespannen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had samengespannen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had samengespannen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had samengespannen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden samengespannen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden samengespannen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden samengespannen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt samengespannen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb samengespannen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben samengespannen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben samengespannen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben samengespannen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben samengespannen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt samengespannen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft samengespannen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft samengespannen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
samen te spannen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
samen te zullen spannen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
samen zal spannen bijzin, toekomende tijd
samen zou spannen bijzin, voorwaardelijk
samen zouden spannen bijzin, voorwaardelijk
samen zoudt spannen bijzin, voorwaardelijk
samen zullen spannen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
samen zullen spannen bijzin, toekomende tijd
samen zult spannen bijzin, toekomende tijd
samengespannen verleden tijd, deelwoord
samengespannen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
samengespannen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
samenspan bijzin, tegenwoordige tijd
samenspande bijzin, verleden tijd
samenspanden bijzin, verleden tijd
samenspannend onvoltooid, deelwoord
samenspant bijzin, tegenwoordige tijd
span samen gebiedende wijs
spande samen verleden tijd
te hebben samengespannen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen samenspannen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal samengespannen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal samengespannen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal samengespannen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal samenspannen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal samenspannen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal samenspannen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal samenspannen bijzin, toekomende tijd
zou samengespannen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou samengespannen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou samengespannen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou samenspannen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou samenspannen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou samenspannen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou samenspannen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) samenspannen samen zou(dt) spannen bijzin, voorwaardelijk
zouden samengespannen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden samengespannen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden samengespannen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden samenspannen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden samenspannen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden samenspannen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden samenspannen bijzin, voorwaardelijk
zoudt samengespannen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt samenspannen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt samenspannen bijzin, voorwaardelijk
zullen samengespannen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen samengespannen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen samengespannen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen samenspannen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen samenspannen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen samenspannen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen samenspannen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen samenspannen bijzin, toekomende tijd
zult samengespannen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult samenspannen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult samenspannen bijzin, toekomende tijd
zult/zal samenspannen samen zult/zal spannen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van samen en spannen

Woordfamilie van samenspannen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
samengespannen voltooid deelwoord samenspannen
samenspan subordinate-clause, tegenwoordige tijd samenspannen
samenspande subordinate-clause, verleden tijd samenspannen
samenspanden subordinate-clause, verleden tijd samenspannen
samenspanne with-subordinate-clause samenspannen
samenspannend onvoltooid deelwoord samenspannen
samenspannende woordvorm samenspannen
samenspant subordinate-clause, tegenwoordige tijd samenspannen
span samen gebiedende wijs samenspannen
spande samen verleden tijd samenspannen
spanden samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon samenspannen
spanne samen woordvorm samenspannen
spannen samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon samenspannen
spant samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon samenspannen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenspannen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over samenspannen

Wat betekent samenspannen?
Samenspannen is een werkwoord. Het woord betekent: een groep bijeenbrengen om geheime, vaak verraderlijke, plannen te ontvouwen.
Hoe vervoeg je samenspannen?
Je vervoegt samenspannen als volgt: het voltooid deelwoord is samengespannen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord samenspannen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. S 2
  7. P 3
  8. A 1
  9. N 1
  10. N 1
  11. E 1
  12. N 1
  13. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

samenspannen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. S 2
  7. P 4
  8. A 1
  9. N 1
  10. N 1
  11. E 1
  12. N 1
  13. 19 zonder bonus
  14. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

samenspannen in het kort

samenspannen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van samenspannen zijn 53 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort samenspannen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

samenspannen: een groep bijeenbrengen om geheime, vaak verraderlijke, plannen te ontvouwen
Deel samenspannen — standaardnederlands.nl