samenspannen
werkwoordBetekenis
- een groep bijeenbrengen om geheime, vaak verraderlijke, plannen te ontvouwen
Vervoeging van samenspannen
samenspannenhele werkwoord — spande samenverleden tijd enkelvoud — spanden samenverleden tijd meervoud — samengespannenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | span samen | spande samen |
| jij | spant samen | spande samen |
| hij, zij, het | spant samen | spande samen |
| wij | spannen samen | spanden samen |
| jullie | spannen samen | spanden samen |
| zij | spannen samen | spanden samen |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is samengespannen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was samengespannen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd samengespannen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt samengespannen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal samengespannen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal samengespannen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou samengespannen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou samengespannen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had samengespannen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had samengespannen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had samengespannen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden samengespannen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden samengespannen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden samengespannen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt samengespannen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb samengespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengespannen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben samengespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben samengespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt samengespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengespannen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| samen te spannen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samen te zullen spannen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samen zal spannen | bijzin, toekomende tijd |
| samen zou spannen | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zouden spannen | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zoudt spannen | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zullen spannen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samen zullen spannen | bijzin, toekomende tijd |
| samen zult spannen | bijzin, toekomende tijd |
| samengespannen | verleden tijd, deelwoord |
| samengespannen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengespannen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samenspan | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenspande | bijzin, verleden tijd |
| samenspanden | bijzin, verleden tijd |
| samenspannend | onvoltooid, deelwoord |
| samenspant | bijzin, tegenwoordige tijd |
| span samen | gebiedende wijs |
| spande samen | verleden tijd |
| te hebben samengespannen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen samenspannen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal samengespannen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengespannen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal samengespannen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal samenspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal samenspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal samenspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal samenspannen | bijzin, toekomende tijd |
| zou samengespannen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengespannen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengespannen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou samenspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou samenspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou samenspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou samenspannen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) samenspannen samen zou(dt) spannen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samengespannen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengespannen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengespannen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samenspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samenspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samenspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden samenspannen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt samengespannen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samenspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt samenspannen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen samengespannen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengespannen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengespannen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samenspannen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen samenspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samenspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samenspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen samenspannen | bijzin, toekomende tijd |
| zult samengespannen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult samenspannen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult samenspannen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal samenspannen samen zult/zal spannen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van samen en spannen
Woordfamilie van samenspannen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| samengespannen | voltooid deelwoord | samenspannen |
| samenspan | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenspannen |
| samenspande | subordinate-clause, verleden tijd | samenspannen |
| samenspanden | subordinate-clause, verleden tijd | samenspannen |
| samenspanne | with-subordinate-clause | samenspannen |
| samenspannend | onvoltooid deelwoord | samenspannen |
| samenspannende | woordvorm | samenspannen |
| samenspant | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenspannen |
| span samen | gebiedende wijs | samenspannen |
| spande samen | verleden tijd | samenspannen |
| spanden samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | samenspannen |
| spanne samen | woordvorm | samenspannen |
| spannen samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | samenspannen |
| spant samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | samenspannen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenspannen zijn vastgelegd.