samensmelten
werkwoordBetekenis
- door smelten tot een geheel worden
- door smelten tot een geheel maken
Vervoeging van samensmelten
samensmeltenhele werkwoord — smolt samenverleden tijd enkelvoud — smolten samenverleden tijd meervoud — samengesmoltenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | smelt samen | smolt samen |
| jij | smelt samen | smolt samen |
| hij, zij, het | smelt samen | smolt samen |
| wij | smelten samen | smolten samen |
| jullie | smelten samen | smolten samen |
| zij | smelten samen | smolten samen |
Alle 79 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| er is samengesmolten | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was samengesmolten | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd samengesmolten | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt samengesmolten | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal samengesmolten worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal samengesmolten zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou samengesmolten worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou samengesmolten zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben samengesmolten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is samengesmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| samen te smelten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samen te zullen smelten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samen zal smelten | bijzin, toekomende tijd |
| samen zou smelten | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zouden smelten | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zoudt smelten | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zullen smelten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samen zullen smelten | bijzin, toekomende tijd |
| samen zult smelten | bijzin, toekomende tijd |
| samengesmolten | verleden tijd, deelwoord |
| samengesmolten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samengesmolten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samengesmolten te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengesmolten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengesmolten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengesmolten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| samengesmolten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| samengesmolten zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samengesmolten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samengesmolten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samensmelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samensmeltend | onvoltooid, deelwoord |
| samensmolt | bijzin, verleden tijd |
| samensmolten | bijzin, verleden tijd |
| smelt samen | gebiedende wijs |
| smolt samen | verleden tijd |
| te hebben/zijn samengesmolten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen samensmelten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren samengesmolten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was samengesmolten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd samengesmolten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden samengesmolten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden samengesmolten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt samengesmolten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal samengesmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal samengesmolten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal samensmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal samensmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal samensmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal samensmelten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn samengesmolten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn samengesmolten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou samengesmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou samengesmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou samensmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou samensmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou samensmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou samensmelten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) samensmelten samen zou(dt) smelten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samengesmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samengesmolten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samensmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samensmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samensmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden samensmelten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt samensmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt samensmelten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen samengesmolten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samengesmolten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samensmelten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen samensmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samensmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samensmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen samensmelten | bijzin, toekomende tijd |
| zult samensmelten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult samensmelten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal samensmelten samen zult/zal smelten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van samen en smelten
Woordfamilie van samensmelten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| samengesmolten | voltooid deelwoord | samensmelten |
| samensmelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samensmelten |
| samensmelte | with-subordinate-clause | samensmelten |
| samensmeltend | onvoltooid deelwoord | samensmelten |
| samensmeltende | woordvorm | samensmelten |
| samensmolt | subordinate-clause, verleden tijd | samensmelten |
| samensmolten | subordinate-clause, verleden tijd | samensmelten |
| smelt samen | gebiedende wijs | samensmelten |
| smelte samen | woordvorm | samensmelten |
| smelten samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | samensmelten |
| smolt samen | verleden tijd | samensmelten |
| smolten samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | samensmelten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samensmelten zijn vastgelegd.