Naar de inhoud

samenklinken

harmoniëren

samenklinken

werkwoord

Betekenis

  1. harmoniëren
  2. door klinken aan elkaar hechten

Vervoeging van samenklinken

samenklinkenhele werkwoord — klonk samenverleden tijd enkelvoud — klonken samenverleden tijd meervoud — samengeklonkenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik klink samen klonk samen
jij klinkt samen klonk samen
hij, zij, het klinkt samen klonk samen
wij klinken samen klonken samen
jullie klinken samen klonken samen
zij klinken samen klonken samen
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben samengeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent samengeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is samengeklonken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was samengeklonken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd samengeklonken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt samengeklonken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal samengeklonken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal samengeklonken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou samengeklonken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou samengeklonken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had samengeklonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had samengeklonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had samengeklonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden samengeklonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden samengeklonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden samengeklonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt samengeklonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb samengeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben samengeklonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben samengeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben samengeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben samengeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt samengeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft samengeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft samengeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is samengeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is samengeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klink samen gebiedende wijs
klonk samen verleden tijd
samen te klinken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
samen te zullen klinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
samen zal klinken bijzin, toekomende tijd
samen zou klinken bijzin, voorwaardelijk
samen zouden klinken bijzin, voorwaardelijk
samen zoudt klinken bijzin, voorwaardelijk
samen zullen klinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
samen zullen klinken bijzin, toekomende tijd
samen zult klinken bijzin, toekomende tijd
samengeklonken verleden tijd, deelwoord
samengeklonken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
samengeklonken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
samengeklonken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
samengeklonken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
samengeklonken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
samengeklonken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
samengeklonken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
samengeklonken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
samengeklonken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
samengeklonken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
samenklink bijzin, tegenwoordige tijd
samenklinkend onvoltooid, deelwoord
samenklinkt bijzin, tegenwoordige tijd
samenklonk bijzin, verleden tijd
samenklonken bijzin, verleden tijd
te hebben samengeklonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen samenklinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart samengeklonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren samengeklonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren samengeklonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren samengeklonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was samengeklonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was samengeklonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was samengeklonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd samengeklonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd samengeklonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd samengeklonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden samengeklonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden samengeklonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden samengeklonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt samengeklonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word samengeklonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden samengeklonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden samengeklonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden samengeklonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt samengeklonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt samengeklonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal samengeklonken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal samengeklonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal samengeklonken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal samengeklonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal samengeklonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal samengeklonken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal samengeklonken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal samenklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal samenklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal samenklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal samenklinken bijzin, toekomende tijd
zijn samengeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn samengeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn samengeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt samengeklonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou samengeklonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou samengeklonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou samengeklonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou samengeklonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou samengeklonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou samengeklonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou samengeklonken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou samengeklonken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou samengeklonken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou samenklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou samenklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou samenklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou samenklinken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) samenklinken samen zou(dt) klinken bijzin, voorwaardelijk
zouden samengeklonken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden samengeklonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden samengeklonken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden samengeklonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden samengeklonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden samengeklonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden samengeklonken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden samengeklonken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden samengeklonken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden samenklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden samenklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden samenklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden samenklinken bijzin, voorwaardelijk
zoudt samengeklonken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt samengeklonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt samengeklonken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt samenklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt samenklinken bijzin, voorwaardelijk
zullen samengeklonken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen samengeklonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen samengeklonken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen samengeklonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen samengeklonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen samengeklonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen samengeklonken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen samengeklonken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen samengeklonken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen samenklinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen samenklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen samenklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen samenklinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen samenklinken bijzin, toekomende tijd
zult samengeklonken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van samen en klinken

Woordfamilie van samenklinken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
klink samen gebiedende wijs samenklinken
klinke samen woordvorm samenklinken
klinken samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon samenklinken
klinkt samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon samenklinken
klonk samen verleden tijd samenklinken
klonken samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon samenklinken
samengeklonken voltooid deelwoord samenklinken
samenklink subordinate-clause, tegenwoordige tijd samenklinken
samenklinke with-subordinate-clause samenklinken
samenklinkend onvoltooid deelwoord samenklinken
samenklinkende woordvorm samenklinken
samenklinkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd samenklinken
samenklonk subordinate-clause, verleden tijd samenklinken
samenklonken subordinate-clause, verleden tijd samenklinken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenklinken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over samenklinken

Wat is de betekenis van samenklinken?
Samenklinken is een werkwoord. De betekenis is: harmoniëren. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik samenklinken?
Zo vervoeg je samenklinken zo: het voltooid deelwoord is samengeklonken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord samenklinken is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. K 3
  7. L 3
  8. I 1
  9. N 1
  10. K 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

samenklinken levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. K 3
  7. L 3
  8. I 2
  9. N 1
  10. K 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 zonder bonus
  14. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

samenklinken in het kort

samenklinken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van samenklinken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort samenklinken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

samenklinken: harmoniëren
Deel samenklinken — standaardnederlands.nl