saboteren
werkwoordBetekenis
- belemmeren (uit protest)
Vervoeging van saboteren
saboterenhele werkwoord — saboteerdeverleden tijd enkelvoud — saboteerdenverleden tijd meervoud — gesaboteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | saboteer | saboteerde |
| jij | saboteert | saboteerde |
| hij, zij, het | saboteert | saboteerde |
| wij | saboteren | saboteerden |
| jullie | saboteren | saboteerden |
| zij | saboteren | saboteerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesaboteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesaboteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesaboteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesaboteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesaboteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesaboteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesaboteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesaboteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesaboteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gesaboteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesaboteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesaboteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesaboteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesaboteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesaboteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesaboteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesaboteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesaboteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesaboteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesaboteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesaboteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesaboteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesaboteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesaboteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesaboteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesaboteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| saboteer | gebiedende wijs |
| saboteerde | verleden tijd |
| sabotere | aanvoegende wijs |
| saboterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesaboteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te saboteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen saboteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesaboteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesaboteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesaboteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal saboteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal saboteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal saboteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesaboteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesaboteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesaboteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou saboteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou saboteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou saboteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesaboteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesaboteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesaboteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden saboteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden saboteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden saboteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesaboteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt saboteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesaboteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesaboteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesaboteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen saboteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen saboteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen saboteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen saboteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesaboteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult saboteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘belemmeren uit protest’ voor het eerst aangetroffen in 1920
Woordfamilie van saboteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesaboteerd | voltooid deelwoord | saboteren |
| gesaboteerde | woordvorm | saboteren |
| saboteer | gebiedende wijs | saboteren |
| saboteerde | verleden tijd | saboteren |
| saboteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | saboteren |
| saboteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | saboteren |
| sabotere | aanvoegende wijs | saboteren |
| saboterend | onvoltooid deelwoord | saboteren |
| saboterende | woordvorm | saboteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van saboteren zijn vastgelegd.