Naar de inhoud

ruziemaken

ruziën, uit uitvechten van een conflict

ruziemaken

werkwoord

Betekenis

  1. ruziën, uit uitvechten van een conflict

Vervoeging van ruziemaken

ruziemakenhele werkwoord — maakte ruzieverleden tijd enkelvoud — maakten ruzieverleden tijd meervoud — ruziegemaaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik maak ruzie maakte ruzie
jij maakt ruzie maakte ruzie
hij, zij, het maakt ruzie maakte ruzie
wij maken ruzie maakten ruzie
jullie maken ruzie maakten ruzie
zij maken ruzie maakten ruzie
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had ruziegemaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ruziegemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ruziegemaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ruziegemaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ruziegemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ruziegemaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ruziegemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ruziegemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ruziegemaakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ruziegemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ruziegemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ruziegemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ruziegemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ruziegemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ruziegemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
maak ruzie gebiedende wijs
maakte ruzie verleden tijd
ruzie te maken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ruzie te zullen maken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ruzie zal maken bijzin, toekomende tijd
ruzie zou maken bijzin, voorwaardelijk
ruzie zouden maken bijzin, voorwaardelijk
ruzie zoudt maken bijzin, voorwaardelijk
ruzie zullen maken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ruzie zullen maken bijzin, toekomende tijd
ruzie zult maken bijzin, toekomende tijd
ruziegemaakt verleden tijd, deelwoord
ruziegemaakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ruziegemaakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ruziemaak bijzin, tegenwoordige tijd
ruziemaakt bijzin, tegenwoordige tijd
ruziemaakte bijzin, verleden tijd
ruziemaakten bijzin, verleden tijd
ruziemakend onvoltooid, deelwoord
te hebben ruziegemaakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ruziemaken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal ruziegemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ruziegemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ruziegemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ruziemaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ruziemaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ruziemaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ruziemaken bijzin, toekomende tijd
zou ruziegemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ruziegemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ruziegemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ruziemaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ruziemaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ruziemaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ruziemaken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) ruziemaken ruzie zou(dt) maken bijzin, voorwaardelijk
zouden ruziegemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ruziegemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ruziegemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ruziemaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ruziemaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ruziemaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ruziemaken bijzin, voorwaardelijk
zoudt ruziegemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ruziemaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ruziemaken bijzin, voorwaardelijk
zullen ruziegemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ruziegemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ruziegemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ruziemaken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ruziemaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ruziemaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ruziemaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ruziemaken bijzin, toekomende tijd
zult ruziegemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ruziemaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult ruziemaken bijzin, toekomende tijd
zult/zal ruziemaken ruzie zult/zal maken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van ruzie en maken

Woordfamilie van ruziemaken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
maak ruzie gebiedende wijs ruziemaken
maakt ruzie aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ruziemaken
maakte ruzie verleden tijd ruziemaken
maakten ruzie aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ruziemaken
make ruzie woordvorm ruziemaken
maken ruzie aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon ruziemaken
ruziegemaakt voltooid deelwoord ruziemaken
ruziemaak subordinate-clause, tegenwoordige tijd ruziemaken
ruziemaakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd ruziemaken
ruziemaakte subordinate-clause, verleden tijd ruziemaken
ruziemaakten subordinate-clause, verleden tijd ruziemaken
ruziemake with-subordinate-clause ruziemaken
ruziemakend onvoltooid deelwoord ruziemaken
ruziemakende woordvorm ruziemaken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ruziemaken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over ruziemaken

Wat is de betekenis van ruziemaken?
Ruziemaken is een werkwoord. De betekenis is: ruziën, uit uitvechten van een conflict.
Hoe vervoeg ik ruziemaken?
Zo vervoeg je ruziemaken zo: het voltooid deelwoord is ruziegemaakt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ruziemaken is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. U 4
  3. Z 4
  4. I 1
  5. E 1
  6. M 3
  7. A 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ruziemaken levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. U 2
  3. Z 5
  4. I 2
  5. E 1
  6. M 3
  7. A 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ruziemaken in het kort

ruziemaken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van ruziemaken staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ruziemaken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ruziemaken: ruziën, uit uitvechten van een conflict
Deel ruziemaken — standaardnederlands.nl