ruziemaken
werkwoordBetekenis
- ruziën, uit uitvechten van een conflict
Vervoeging van ruziemaken
ruziemakenhele werkwoord — maakte ruzieverleden tijd enkelvoud — maakten ruzieverleden tijd meervoud — ruziegemaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maak ruzie | maakte ruzie |
| jij | maakt ruzie | maakte ruzie |
| hij, zij, het | maakt ruzie | maakte ruzie |
| wij | maken ruzie | maakten ruzie |
| jullie | maken ruzie | maakten ruzie |
| zij | maken ruzie | maakten ruzie |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ruziegemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ruziegemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ruziegemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ruziegemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ruziegemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ruziegemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ruziegemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ruziegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ruziegemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ruziegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ruziegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ruziegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ruziegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ruziegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ruziegemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| maak ruzie | gebiedende wijs |
| maakte ruzie | verleden tijd |
| ruzie te maken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ruzie te zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ruzie zal maken | bijzin, toekomende tijd |
| ruzie zou maken | bijzin, voorwaardelijk |
| ruzie zouden maken | bijzin, voorwaardelijk |
| ruzie zoudt maken | bijzin, voorwaardelijk |
| ruzie zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ruzie zullen maken | bijzin, toekomende tijd |
| ruzie zult maken | bijzin, toekomende tijd |
| ruziegemaakt | verleden tijd, deelwoord |
| ruziegemaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ruziegemaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ruziemaak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ruziemaakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ruziemaakte | bijzin, verleden tijd |
| ruziemaakten | bijzin, verleden tijd |
| ruziemakend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ruziegemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ruziemaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ruziegemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ruziegemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ruziegemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ruziemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ruziemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ruziemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ruziemaken | bijzin, toekomende tijd |
| zou ruziegemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ruziegemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ruziegemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ruziemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ruziemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ruziemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ruziemaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) ruziemaken ruzie zou(dt) maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ruziegemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ruziegemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ruziegemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ruziemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ruziemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ruziemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ruziemaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ruziegemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ruziemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ruziemaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ruziegemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ruziegemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ruziegemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ruziemaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ruziemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ruziemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ruziemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ruziemaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult ruziegemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ruziemaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ruziemaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal ruziemaken ruzie zult/zal maken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van ruzie en maken
Woordfamilie van ruziemaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maak ruzie | gebiedende wijs | ruziemaken |
| maakt ruzie | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ruziemaken |
| maakte ruzie | verleden tijd | ruziemaken |
| maakten ruzie | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ruziemaken |
| make ruzie | woordvorm | ruziemaken |
| maken ruzie | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | ruziemaken |
| ruziegemaakt | voltooid deelwoord | ruziemaken |
| ruziemaak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ruziemaken |
| ruziemaakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ruziemaken |
| ruziemaakte | subordinate-clause, verleden tijd | ruziemaken |
| ruziemaakten | subordinate-clause, verleden tijd | ruziemaken |
| ruziemake | with-subordinate-clause | ruziemaken |
| ruziemakend | onvoltooid deelwoord | ruziemaken |
| ruziemakende | woordvorm | ruziemaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ruziemaken zijn vastgelegd.