rubriceren
werkwoordBetekenis
- iets of iemand in een rubriek, categorie of klasse onderbrengen of verdelen, groeperen, classificeren
- de beginletters (in middeleeuwse handschriften en drukken) aanbrengen (in rood 'ruber' = rood)
Vervoeging van rubriceren
rubricerenhele werkwoord — rubriceerdeverleden tijd enkelvoud — rubriceerdenverleden tijd meervoud — gerubriceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rubriceer | rubriceerde |
| jij | rubriceert | rubriceerde |
| hij, zij, het | rubriceert | rubriceerde |
| wij | rubriceren | rubriceerden |
| jullie | rubriceren | rubriceerden |
| zij | rubriceren | rubriceerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gerubriceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gerubriceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gerubriceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerubriceerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerubriceerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerubriceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerubriceerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerubriceerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerubriceerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerubriceerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerubriceerd | verleden tijd, deelwoord |
| gerubriceerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerubriceerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerubriceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerubriceerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerubriceerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerubriceerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerubriceerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerubriceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerubriceerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerubriceerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerubriceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerubriceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerubriceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerubriceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerubriceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerubriceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerubriceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerubriceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerubriceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerubriceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerubriceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerubriceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerubriceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerubriceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerubriceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gerubriceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gerubriceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rubriceer | gebiedende wijs |
| rubriceerde | verleden tijd |
| rubricere | aanvoegende wijs |
| rubricerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerubriceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rubriceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rubriceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gerubriceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gerubriceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gerubriceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gerubriceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gerubriceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gerubriceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gerubriceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gerubriceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gerubriceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gerubriceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gerubriceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gerubriceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gerubriceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gerubriceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gerubriceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gerubriceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gerubriceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gerubriceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gerubriceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gerubriceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gerubriceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerubriceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerubriceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gerubriceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerubriceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gerubriceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerubriceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rubriceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rubriceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rubriceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gerubriceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gerubriceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gerubriceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gerubriceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gerubriceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerubriceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerubriceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gerubriceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerubriceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gerubriceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerubriceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerubriceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerubriceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rubriceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rubriceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rubriceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerubriceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerubriceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerubriceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gerubriceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gerubriceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gerubriceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gerubriceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerubriceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerubriceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rubriceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rubriceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rubriceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerubriceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gerubriceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gerubriceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rubriceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerubriceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerubriceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerubriceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gerubriceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gerubriceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gerubriceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gerubriceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerubriceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerubriceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rubriceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rubriceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rubriceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rubriceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerubriceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gerubriceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gerubriceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rubriceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse rubriquer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van rubriceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerubriceerd | voltooid deelwoord | rubriceren |
| gerubriceerde | woordvorm | rubriceren |
| rubriceer | gebiedende wijs | rubriceren |
| rubriceerde | verleden tijd | rubriceren |
| rubriceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rubriceren |
| rubriceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rubriceren |
| rubricere | aanvoegende wijs | rubriceren |
| rubricerend | onvoltooid deelwoord | rubriceren |
| rubricerende | woordvorm | rubriceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rubriceren zijn vastgelegd.