rouleren
werkwoordBetekenis
- in omloop zijn, circuleren, rondgaan
- om de beurt uitgevoerd worden, afwisselen, in omloop zijn, omwisselen
Vervoeging van rouleren
roulerenhele werkwoord — rouleerdeverleden tijd enkelvoud — rouleerdenverleden tijd meervoud — gerouleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rouleer | rouleerde |
| jij | rouleert | rouleerde |
| hij, zij, het | rouleert | rouleerde |
| wij | rouleren | rouleerden |
| jullie | rouleren | rouleerden |
| zij | rouleren | rouleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gerouleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gerouleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerouleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerouleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerouleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerouleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerouleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerouleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerouleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerouleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerouleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerouleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerouleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerouleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerouleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerouleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerouleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerouleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rouleer | gebiedende wijs |
| rouleerde | verleden tijd |
| roulere | aanvoegende wijs |
| roulerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerouleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rouleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rouleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerouleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerouleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerouleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rouleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rouleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rouleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerouleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerouleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerouleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rouleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rouleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rouleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerouleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerouleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerouleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rouleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rouleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rouleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerouleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rouleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerouleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerouleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerouleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rouleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rouleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rouleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rouleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerouleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rouleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘in omloop zijn, wisselen’ voor het eerst aangetroffen in 1706
Woordfamilie van rouleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerouleerd | voltooid deelwoord | rouleren |
| rouleer | gebiedende wijs | rouleren |
| rouleerde | verleden tijd | rouleren |
| rouleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rouleren |
| rouleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rouleren |
| roulere | aanvoegende wijs | rouleren |
| roulerend | onvoltooid deelwoord | rouleren |
| roulerende | woordvorm | rouleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rouleren zijn vastgelegd.