Naar de inhoud

rondspringen

zich springend in alle richtingen bewegen

rondspringen

werkwoord

Betekenis

  1. zich springend in alle richtingen bewegen

Vervoeging van rondspringen

rondspringenhele werkwoord — sprong rondverleden tijd enkelvoud — sprongen rondverleden tijd meervoud — rondgesprongenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spring rond sprong rond
jij springt rond sprong rond
hij, zij, het springt rond sprong rond
wij springen rond sprongen rond
jullie springen rond sprongen rond
zij springen rond sprongen rond
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had rondgesprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had rondgesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had rondgesprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden rondgesprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden rondgesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden rondgesprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt rondgesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb rondgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben rondgesprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben rondgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben rondgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben rondgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt rondgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft rondgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft rondgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
rond te springen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
rond te zullen springen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
rond zal springen bijzin, toekomende tijd
rond zou springen bijzin, voorwaardelijk
rond zouden springen bijzin, voorwaardelijk
rond zoudt springen bijzin, voorwaardelijk
rond zullen springen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
rond zullen springen bijzin, toekomende tijd
rond zult springen bijzin, toekomende tijd
rondgesprongen verleden tijd, deelwoord
rondgesprongen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
rondgesprongen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
rondspring bijzin, tegenwoordige tijd
rondspringend onvoltooid, deelwoord
rondspringt bijzin, tegenwoordige tijd
rondsprong bijzin, verleden tijd
rondsprongen bijzin, verleden tijd
spring rond gebiedende wijs
sprong rond verleden tijd
te hebben rondgesprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen rondspringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal rondgesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal rondgesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal rondgesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal rondspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal rondspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal rondspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal rondspringen bijzin, toekomende tijd
zou rondgesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou rondgesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou rondgesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou rondspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou rondspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou rondspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou rondspringen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) rondspringen rond zou(dt) springen bijzin, voorwaardelijk
zouden rondgesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden rondgesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden rondgesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden rondspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden rondspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden rondspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden rondspringen bijzin, voorwaardelijk
zoudt rondgesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt rondspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt rondspringen bijzin, voorwaardelijk
zullen rondgesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen rondgesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen rondgesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen rondspringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen rondspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen rondspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen rondspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen rondspringen bijzin, toekomende tijd
zult rondgesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult rondspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult rondspringen bijzin, toekomende tijd
zult/zal rondspringen rond zult/zal springen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van rond en springen

Woordfamilie van rondspringen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
rondgesprongen voltooid deelwoord rondspringen
rondspring subordinate-clause, tegenwoordige tijd rondspringen
rondspringe with-subordinate-clause rondspringen
rondspringend onvoltooid deelwoord rondspringen
rondspringende woordvorm rondspringen
rondspringt subordinate-clause, tegenwoordige tijd rondspringen
rondsprong subordinate-clause, verleden tijd rondspringen
rondsprongen subordinate-clause, verleden tijd rondspringen
spring rond gebiedende wijs rondspringen
springe rond woordvorm rondspringen
springen rond aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon rondspringen
springt rond aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon rondspringen
sprong rond verleden tijd rondspringen
sprongen rond aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon rondspringen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rondspringen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over rondspringen

Wat is de betekenis van rondspringen?
Rondspringen is een werkwoord. De betekenis is: zich springend in alle richtingen bewegen.
Hoe vervoeg ik rondspringen?
Zo vervoeg je rondspringen zo: het voltooid deelwoord is rondgesprongen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord rondspringen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. O 1
  3. N 1
  4. D 2
  5. S 2
  6. P 3
  7. R 2
  8. I 1
  9. N 1
  10. G 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

rondspringen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. O 1
  3. N 1
  4. D 2
  5. S 2
  6. P 4
  7. R 2
  8. I 2
  9. N 1
  10. G 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 zonder bonus
  14. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

rondspringen in het kort

rondspringen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van rondspringen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort rondspringen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

rondspringen: zich springend in alle richtingen bewegen
Deel rondspringen — standaardnederlands.nl