Naar de inhoud

rondrijden

rijden zonder een bepaald doel of met het doel de omgeving te verkennen

rondrijden

werkwoord

Betekenis

  1. rijden zonder een bepaald doel of met het doel de omgeving te verkennen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van rondrijden

rondrijdenhele werkwoord — reed rondverleden tijd enkelvoud — reden rondverleden tijd meervoud — rondgeredenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rij rond reed rond
jij rijdt rond reed rond
hij, zij, het rijdt rond reed rond
wij rijden rond reden rond
jullie rijden rond reden rond
zij rijden rond reden rond
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is rondgereden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was rondgereden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd rondgereden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt rondgereden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal rondgereden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal rondgereden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou rondgereden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou rondgereden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. rij rond/ rijd rond gebiedende wijs
had rondgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had rondgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had rondgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden rondgereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden rondgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden rondgereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt rondgereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb rondgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben rondgereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben rondgereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben rondgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben rondgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt rondgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft rondgereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft rondgereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reed rond verleden tijd
rond te rijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
rond te zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
rond zal rijden bijzin, toekomende tijd
rond zou rijden bijzin, voorwaardelijk
rond zouden rijden bijzin, voorwaardelijk
rond zoudt rijden bijzin, voorwaardelijk
rond zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
rond zullen rijden bijzin, toekomende tijd
rond zult rijden bijzin, toekomende tijd
rondgereden verleden tijd, deelwoord
rondgereden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
rondgereden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
rondreden bijzin, verleden tijd
rondreed bijzin, verleden tijd
rondreedt bijzin, verleden tijd
rondrij bijzin, tegenwoordige tijd
rondrijd bijzin, tegenwoordige tijd
rondrijdend onvoltooid, deelwoord
rondrijdt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben rondgereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen rondrijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal rondgereden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal rondgereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal rondgereden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal rondrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal rondrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal rondrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal rondrijden bijzin, toekomende tijd
zou rondgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou rondgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou rondgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou rondrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou rondrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou rondrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou rondrijden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) rondrijden rond zou(dt) rijden bijzin, voorwaardelijk
zouden rondgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden rondgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden rondgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden rondrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden rondrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden rondrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden rondrijden bijzin, voorwaardelijk
zoudt rondgereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt rondrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt rondrijden bijzin, voorwaardelijk
zullen rondgereden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen rondgereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen rondgereden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen rondrijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen rondrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen rondrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen rondrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen rondrijden bijzin, toekomende tijd
zult rondgereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult rondrijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult rondrijden bijzin, toekomende tijd
zult/zal rondrijden rond zult/zal rijden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van rond en rijden

Woordfamilie van rondrijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
reden rond aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon rondrijden
reed rond verleden tijd rondrijden
rij rond aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon rondrijden
rijd rond aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon rondrijden
rijde rond woordvorm rondrijden
rijden rond aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon rondrijden
rijdt rond aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon rondrijden
rondgereden voltooid deelwoord rondrijden
rondreden subordinate-clause, verleden tijd rondrijden
rondreed subordinate-clause, verleden tijd rondrijden
rondrij subordinate-clause, tegenwoordige tijd rondrijden
rondrijd subordinate-clause, tegenwoordige tijd rondrijden
rondrijde with-subordinate-clause rondrijden
rondrijdend onvoltooid deelwoord rondrijden
rondrijdende woordvorm rondrijden
rondrijdt subordinate-clause, tegenwoordige tijd rondrijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rondrijden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over rondrijden

Wat is de betekenis van rondrijden?
Rondrijden is een werkwoord. De betekenis is: rijden zonder een bepaald doel of met het doel de omgeving te verkennen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik rondrijden?
Zo vervoeg je rondrijden zo: het voltooid deelwoord is rondgereden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord rondrijden is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. O 1
  3. N 1
  4. D 2
  5. R 2
  6. I 1
  7. J 4
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

rondrijden levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. O 1
  3. N 1
  4. D 2
  5. R 2
  6. I 2
  7. J 4
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 zonder bonus
  12. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

rondrijden in het kort

rondrijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van rondrijden staan er 57 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort rondrijden bij een woordfamilie van 16 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

rondrijden: rijden zonder een bepaald doel of met het doel de omgeving te verkennen
Deel rondrijden — standaardnederlands.nl