Naar de inhoud

rondkomen

in staat zijn van zijn inkomsten te leven

rondkomen

werkwoord ˈrɔntkomə(n)

Betekenis

  1. in staat zijn van zijn inkomsten te leven

Hoe spreek je rondkomen uit?

/ˈrɔntkomən/

Rondkomen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈrɔntkomən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
r rood
ɔ bot
n nek
t tak
k kat
o boot
m maan
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van rondkomen

rondkomenhele werkwoord — kwam rondverleden tijd enkelvoud — kwamen rondverleden tijd meervoud — rondgekomenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kom rond kwam rond
jij komt rond kwaamt rond
hij, zij, het komt rond kwam rond
wij komen rond kwamen rond
jullie komen rond kwamen rond
zij komen rond kwamen rond
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben rondgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent rondgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is rondgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is rondgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kom rond gebiedende wijs
kwam rond verleden tijd
rond te komen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
rond te zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
rond zal komen bijzin, toekomende tijd
rond zou komen bijzin, voorwaardelijk
rond zouden komen bijzin, voorwaardelijk
rond zoudt komen bijzin, voorwaardelijk
rond zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
rond zullen komen bijzin, toekomende tijd
rond zult komen bijzin, toekomende tijd
rondgekomen verleden tijd, deelwoord
rondgekomen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
rondgekomen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
rondkom bijzin, tegenwoordige tijd
rondkomend onvoltooid, deelwoord
rondkomt bijzin, tegenwoordige tijd
rondkwaamt bijzin, verleden tijd
rondkwam bijzin, verleden tijd
rondkwamen bijzin, verleden tijd
te zijn rondgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen rondkomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart rondgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren rondgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren rondgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren rondgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was rondgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was rondgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was rondgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal rondgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal rondgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal rondgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal rondkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal rondkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal rondkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal rondkomen bijzin, toekomende tijd
zijn rondgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn rondgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn rondgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn rondgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt rondgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou rondgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou rondgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou rondgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou rondkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou rondkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou rondkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou rondkomen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) rondkomen rond zou(dt) komen bijzin, voorwaardelijk
zouden rondgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden rondgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden rondgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden rondkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden rondkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden rondkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden rondkomen bijzin, voorwaardelijk
zoudt rondgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt rondkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt rondkomen bijzin, voorwaardelijk
zullen rondgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen rondgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen rondgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen rondkomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen rondkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen rondkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen rondkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen rondkomen bijzin, toekomende tijd
zult rondgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult rondkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult rondkomen bijzin, toekomende tijd
zult/zal rondkomen rond zult/zal komen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van rond en komen

Woordfamilie van rondkomen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kom rond gebiedende wijs rondkomen
kome rond woordvorm rondkomen
komen rond aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon rondkomen
komt rond aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon rondkomen
kwam rond verleden tijd rondkomen
kwamen rond aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon rondkomen
rondgekomen voltooid deelwoord rondkomen
rondkom subordinate-clause, tegenwoordige tijd rondkomen
rondkome with-subordinate-clause rondkomen
rondkomend onvoltooid deelwoord rondkomen
rondkomende woordvorm rondkomen
rondkomt subordinate-clause, tegenwoordige tijd rondkomen
rondkwam subordinate-clause, verleden tijd rondkomen
rondkwamen subordinate-clause, verleden tijd rondkomen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rondkomen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over rondkomen

Hoe spreek ik rondkomen uit?
Zo spreek je rondkomen uit: /ˈrɔntkomə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van rondkomen?
Rondkomen is een werkwoord. De betekenis is: in staat zijn van zijn inkomsten te leven.
Hoe vervoeg ik rondkomen?
Zo vervoeg je rondkomen zo: het voltooid deelwoord is rondgekomen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord rondkomen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. O 1
  3. N 1
  4. D 2
  5. K 3
  6. O 1
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

rondkomen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. O 1
  3. N 1
  4. D 2
  5. K 3
  6. O 1
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

rondkomen in het kort

rondkomen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van rondkomen staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort rondkomen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

rondkomen: in staat zijn van zijn inkomsten te leven
Deel rondkomen — standaardnederlands.nl