roemen
werkwoordBetekenis
- met lovende woorden spreken over iets of iemand
Vervoeging van roemen
roemenhele werkwoord — roemdeverleden tijd enkelvoud — roemdenverleden tijd meervoud — geroemdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | roem | roemde |
| jij | roemt | roemde |
| hij, zij, het | roemt | roemde |
| wij | roemen | roemden |
| jullie | roemen | roemden |
| zij | roemen | roemden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geroemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geroemd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geroemd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geroemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geroemd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geroemd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geroemd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geroemd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geroemd | verleden tijd, deelwoord |
| geroemd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geroemd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geroemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geroemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geroemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geroemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geroemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geroemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geroemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geroemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geroemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geroemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geroemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geroemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geroemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geroemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geroemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| roem | gebiedende wijs |
| roemde | verleden tijd |
| roeme | aanvoegende wijs |
| roemend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geroemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te roemen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen roemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geroemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geroemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geroemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal roemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal roemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal roemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geroemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geroemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geroemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou roemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou roemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou roemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geroemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geroemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geroemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden roemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden roemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden roemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geroemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt roemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geroemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geroemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geroemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen roemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen roemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen roemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen roemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geroemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult roemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘een kaartcombinatie melden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1717
Woordfamilie van roemen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| roemde | verleden tijd | roemen |
| roemden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | roemen |
| roeme | aanvoegende wijs | roemen |
| roemend | onvoltooid deelwoord | roemen |
| roemende | woordvorm | roemen |
| roemt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | roemen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van roemen zijn vastgelegd.