roem
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- eer, vermaardheid
- een bonus verkregen wanneer een bepaalde combinatie van kaarten voorhanden is
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roemen
- gebiedende wijs van roemen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roemen
Vervoeging van roem
roemhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘lof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1526