roekoeën
werkwoordBetekenis
- het geluid van een duif voortbrengen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van roekoeën
roekoeënhele werkwoord — roekoedeverleden tijd enkelvoud — roekoedenverleden tijd meervoud — geroekoedvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | roekoe | roekoede |
| jij | roekoet | roekoede |
| hij, zij, het | roekoet | roekoede |
| wij | roekoeën | roekoeden |
| jullie | roekoeën | roekoeden |
| zij | roekoeën | roekoeden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geroekoed | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geroekoed | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geroekoed | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geroekoed | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geroekoed worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geroekoed zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geroekoed worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geroekoed zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geroekoed | verleden tijd, deelwoord |
| geroekoed te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geroekoed zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geroekoed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geroekoed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geroekoed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geroekoed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geroekoed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geroekoed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geroekoed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geroekoed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geroekoed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geroekoed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geroekoed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geroekoed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geroekoed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geroekoed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geroekoed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| roekoe | gebiedende wijs |
| roekoede | verleden tijd |
| roekoeë | aanvoegende wijs |
| roekoeënd | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geroekoed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te roekoeën | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen roekoeën | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geroekoed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geroekoed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geroekoed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal roekoeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal roekoeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal roekoeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geroekoed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geroekoed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geroekoed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou roekoeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou roekoeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou roekoeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geroekoed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geroekoed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geroekoed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden roekoeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden roekoeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden roekoeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geroekoed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt roekoeën | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geroekoed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geroekoed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geroekoed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen roekoeën | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen roekoeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen roekoeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen roekoeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geroekoed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult roekoeën | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘het natuurlijke geluid van duiven maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Woordfamilie van roekoeën
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geroekoed | voltooid deelwoord | roekoeën |
| roekoe | gebiedende wijs | roekoeën |
| roekoede | verleden tijd | roekoeën |
| roekoeden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | roekoeën |
| roekoet | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | roekoeën |
| roekoeë | aanvoegende wijs | roekoeën |
| roekoeënd | onvoltooid deelwoord | roekoeën |
| roekoeënde | woordvorm | roekoeën |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van roekoeën zijn vastgelegd.