roede
zelfstandig naamwoord ˈrudəBetekenis
- een bundel takken waarmee geslagen kan worden
- holle of massieve (metalen) staaf
- een lengtemaat die qua afmeting verschilde van plaats tot plaats
- een oppervlaktemaat die qua afmeting verschilde van plaats tot plaats
- een inhoudsmaat die qua omvang verschilde van plaats tot plaats
Hoe spreek je roede uit?
/ˈrudə/
Roede bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| u | boek |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bundel takken waarmee geslagen kan worden
- lengtemaat die qua afmeting verschilde van plaats tot plaats obsolete
- oppervlaktemaat die qua afmeting verschilde van plaats tot plaats obsolete
- inhoudsmaat die qua omvang verschilde van plaats tot plaats obsolete
- penis figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| roeden | meervoud |
| roedes | meervoud |
| roedetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| roedetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands roede van Oudnederlands ruoda, in de betekenis van ‘stok’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw
Woordfamilie van roede
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| roeden | meervoud | roede |
| roedes | meervoud | roede |
| roedetje | verkleinwoord | roede |
| roedetjes | verkleinwoord meervoud | roede |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van roede zijn vastgelegd.