rodelen
werkwoordBetekenis
- op een bepaald soort slede een berghelling afsnellen
Vervoeging van rodelen
rodelenhele werkwoord — rodeldeverleden tijd enkelvoud — rodeldenverleden tijd meervoud — gerodeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rodel | rodelde |
| jij | rodelt | rodelde |
| hij, zij, het | rodelt | rodelde |
| wij | rodelen | rodelden |
| jullie | rodelen | rodelden |
| zij | rodelen | rodelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gerodeld | verleden tijd, deelwoord |
| gerodeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerodeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerodeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerodeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerodeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerodeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerodeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerodeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerodeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerodeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerodeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerodeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerodeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerodeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerodeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerodeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerodeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rodel | gebiedende wijs |
| rodelde | verleden tijd |
| rodele | aanvoegende wijs |
| rodelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerodeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rodelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rodelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerodeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerodeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerodeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rodelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rodelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rodelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerodeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerodeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerodeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rodelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rodelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rodelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerodeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerodeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerodeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rodelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rodelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rodelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerodeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rodelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerodeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerodeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerodeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rodelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rodelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rodelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rodelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerodeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rodelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘een helling af sleeën’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1914
Woordfamilie van rodelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerodeld | voltooid deelwoord | rodelen |
| rodel | gebiedende wijs | rodelen |
| rodelde | verleden tijd | rodelen |
| rodelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rodelen |
| rodele | aanvoegende wijs | rodelen |
| rodelend | onvoltooid deelwoord | rodelen |
| rodelende | woordvorm | rodelen |
| rodelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rodelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rodelen zijn vastgelegd.