resoneren
werkwoordBetekenis
- meetrillen, meeklinken.
- naklinken, weerklank geven.
Vervoeging van resoneren
resonerenhele werkwoord — resoneerdeverleden tijd enkelvoud — resoneerdenverleden tijd meervoud — geresoneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | resoneer | resoneerde |
| jij | resoneert | resoneerde |
| hij, zij, het | resoneert | resoneerde |
| wij | resoneren | resoneerden |
| jullie | resoneren | resoneerden |
| zij | resoneren | resoneerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geresoneerd | verleden tijd, deelwoord |
| geresoneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geresoneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geresoneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geresoneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geresoneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geresoneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geresoneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geresoneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geresoneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geresoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geresoneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geresoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geresoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geresoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geresoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geresoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geresoneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| resoneer | gebiedende wijs |
| resoneerde | verleden tijd |
| resonere | aanvoegende wijs |
| resonerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geresoneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te resoneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen resoneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geresoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geresoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geresoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal resoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal resoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal resoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geresoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geresoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geresoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou resoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou resoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou resoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geresoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geresoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geresoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden resoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden resoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden resoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geresoneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt resoneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geresoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geresoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geresoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen resoneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen resoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen resoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen resoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geresoneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult resoneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘meeklinken’ voor het eerst aangetroffen in 1548
Woordfamilie van resoneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geresoneerd | voltooid deelwoord | resoneren |
| resoneer | gebiedende wijs | resoneren |
| resoneerde | verleden tijd | resoneren |
| resoneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | resoneren |
| resoneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | resoneren |
| resonere | aanvoegende wijs | resoneren |
| resonerend | onvoltooid deelwoord | resoneren |
| resonerende | woordvorm | resoneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van resoneren zijn vastgelegd.