reppen
werkwoordBetekenis
- vermelden, spreken over
- haast maken
Vervoeging van reppen
reppenhele werkwoord — repteverleden tijd enkelvoud — reptenverleden tijd meervoud — gereptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rep | repte |
| jij | rept | repte |
| hij, zij, het | rept | repte |
| wij | reppen | repten |
| jullie | reppen | repten |
| zij | reppen | repten |
Alle 97 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gerept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerept | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerept | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerept | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerept worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerept zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerept worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerept zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerept | verleden tijd, deelwoord |
| gerept te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerept zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rep | gebiedende wijs |
| rep me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| rep u/je , rept je | gebiedende wijs |
| reppe | aanvoegende wijs |
| reppe zich | aanvoegende wijs |
| reppen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| reppen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| reppen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| reppend | onvoltooid, deelwoord |
| rept je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| rept u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| rept u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| rept zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| rept zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| rept zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| repte | verleden tijd |
| repte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| repte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| repte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| repte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| repte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| repte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| repte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| repten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| repten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| repten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| te hebben gerept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te reppen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen reppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me reppen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal reppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal reppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal reppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich reppen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je reppen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gerept hebben | verleden tijd |
| zich reppend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gerept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou reppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou reppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou reppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden reppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden reppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden reppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt reppen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je reppen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons reppen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen reppen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen reppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen reppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen reppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zich reppen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult gerept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult reppen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u reppen | tweede persoon |
| zult u reppen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u reppen | tweede persoon |
| zult zich/u reppen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘(zich...) zich haasten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van reppen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerept | voltooid deelwoord | reppen |
| rep | gebiedende wijs | reppen |
| reppe | aanvoegende wijs | reppen |
| reppend | onvoltooid deelwoord | reppen |
| reppende | woordvorm | reppen |
| rept | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | reppen |
| repte | verleden tijd | reppen |
| repten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | reppen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van reppen zijn vastgelegd.