repatriëren
werkwoordBetekenis
- naar het vaderland terugkeren.
- weer naar het vaderland terugbrengen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van repatriëren
repatriërenhele werkwoord — repatrieerdeverleden tijd enkelvoud — repatrieerdenverleden tijd meervoud — gerepatrieerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | repatrieer | repatrieerde |
| jij | repatrieert | repatrieerde |
| hij, zij, het | repatrieert | repatrieerde |
| wij | repatriëren | repatrieerden |
| jullie | repatriëren | repatrieerden |
| zij | repatriëren | repatrieerden |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben gerepatrieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gerepatrieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gerepatrieerd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gerepatrieerd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gerepatrieerd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gerepatrieerd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gerepatrieerd worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gerepatrieerd zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gerepatrieerd worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gerepatrieerd zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerepatrieerd | verleden tijd, deelwoord |
| gerepatrieerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerepatrieerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerepatrieerd te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerepatrieerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerepatrieerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerepatrieerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerepatrieerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerepatrieerd zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerepatrieerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerepatrieerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben gerepatrieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is gerepatrieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gerepatrieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| repatrieer | gebiedende wijs |
| repatrieerde | verleden tijd |
| repatriëre | aanvoegende wijs |
| repatriërend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben/zijn gerepatrieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te repatriëren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen repatriëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gerepatrieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gerepatrieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gerepatrieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gerepatrieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gerepatrieerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gerepatrieerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gerepatrieerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gerepatrieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gerepatrieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gerepatrieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gerepatrieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gerepatrieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gerepatrieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gerepatrieerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gerepatrieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gerepatrieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gerepatrieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gerepatrieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gerepatrieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gerepatrieerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gerepatrieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerepatrieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gerepatrieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerepatrieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal repatriëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal repatriëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal repatriëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gerepatrieerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gerepatrieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gerepatrieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gerepatrieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gerepatrieerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gerepatrieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerepatrieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gerepatrieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerepatrieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerepatrieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerepatrieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou repatriëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou repatriëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou repatriëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerepatrieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gerepatrieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gerepatrieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gerepatrieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerepatrieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerepatrieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden repatriëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden repatriëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden repatriëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerepatrieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gerepatrieerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt repatriëren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerepatrieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gerepatrieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gerepatrieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gerepatrieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerepatrieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerepatrieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen repatriëren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen repatriëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen repatriëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen repatriëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerepatrieerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gerepatrieerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult repatriëren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘naar zijn vaderland terugkeren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1639
Woordfamilie van repatriëren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerepatrieerd | voltooid deelwoord | repatriëren |
| gerepatrieerde | woordvorm | repatriëren |
| repatrieer | gebiedende wijs | repatriëren |
| repatrieerde | verleden tijd | repatriëren |
| repatrieerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | repatriëren |
| repatrieert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | repatriëren |
| repatriëre | aanvoegende wijs | repatriëren |
| repatriërend | onvoltooid deelwoord | repatriëren |
| repatriërende | woordvorm | repatriëren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van repatriëren zijn vastgelegd.