redekavelen
werkwoordBetekenis
- redetwisten, discussiëren
Vervoeging van redekavelen
redekavelenhele werkwoord — redekaveldeverleden tijd enkelvoud — redekaveldenverleden tijd meervoud — geredekaveldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | redekavel | redekavelde |
| jij | redekavelt | redekavelde |
| hij, zij, het | redekavelt | redekavelde |
| wij | redekavelen | redekavelden |
| jullie | redekavelen | redekavelden |
| zij | redekavelen | redekavelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geredekaveld | verleden tijd, deelwoord |
| geredekaveld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geredekaveld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geredekaveld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geredekaveld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geredekaveld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geredekaveld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geredekaveld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geredekaveld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geredekaveld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geredekaveld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geredekaveld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geredekaveld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geredekaveld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geredekaveld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geredekaveld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geredekaveld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geredekaveld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| redekavel | gebiedende wijs |
| redekavelde | verleden tijd |
| redekavele | aanvoegende wijs |
| redekavelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geredekaveld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te redekavelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen redekavelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geredekaveld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geredekaveld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geredekaveld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal redekavelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal redekavelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal redekavelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geredekaveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geredekaveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geredekaveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou redekavelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou redekavelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou redekavelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geredekaveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geredekaveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geredekaveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden redekavelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden redekavelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden redekavelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geredekaveld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt redekavelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geredekaveld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geredekaveld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geredekaveld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen redekavelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen redekavelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen redekavelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen redekavelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geredekaveld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult redekavelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘discussiëren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1584
Woordfamilie van redekavelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geredekaveld | voltooid deelwoord | redekavelen |
| redekavel | gebiedende wijs | redekavelen |
| redekavelde | verleden tijd | redekavelen |
| redekavelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | redekavelen |
| redekavele | aanvoegende wijs | redekavelen |
| redekavelend | onvoltooid deelwoord | redekavelen |
| redekavelende | woordvorm | redekavelen |
| redekavelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | redekavelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van redekavelen zijn vastgelegd.