redderen
werkwoordBetekenis
- schoonmaken, opruimen
- regelen, in orde brengen
Vervoeging van redderen
redderenhele werkwoord — redderdeverleden tijd enkelvoud — redderdenverleden tijd meervoud — geredderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | redder | redderde |
| jij | reddert | redderde |
| hij, zij, het | reddert | redderde |
| wij | redderen | redderden |
| jullie | redderen | redderden |
| zij | redderen | redderden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geredderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geredderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geredderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geredderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geredderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geredderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geredderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geredderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geredderd | verleden tijd, deelwoord |
| geredderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geredderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geredderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geredderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geredderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geredderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geredderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geredderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geredderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geredderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geredderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| redder | gebiedende wijs |
| redderde | verleden tijd |
| reddere | aanvoegende wijs |
| redderend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geredderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te redderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen redderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geredderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geredderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geredderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal redderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal redderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal redderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geredderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geredderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geredderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou redderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou redderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou redderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geredderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geredderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geredderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden redderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden redderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden redderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geredderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt redderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geredderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geredderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geredderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen redderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen redderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen redderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen redderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geredderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult redderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘in orde brengen’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van redderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geredderd | voltooid deelwoord | redderen |
| geredderde | woordvorm | redderen |
| redderde | verleden tijd | redderen |
| redderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | redderen |
| reddere | aanvoegende wijs | redderen |
| redderend | onvoltooid deelwoord | redderen |
| redderende | woordvorm | redderen |
| reddert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | redderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van redderen zijn vastgelegd.