reciteren
werkwoordBetekenis
- een stuk voordragen of opzeggen
Vervoeging van reciteren
reciterenhele werkwoord — reciteerdeverleden tijd enkelvoud — reciteerdenverleden tijd meervoud — gereciteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | reciteer | reciteerde |
| jij | reciteert | reciteerde |
| hij, zij, het | reciteert | reciteerde |
| wij | reciteren | reciteerden |
| jullie | reciteren | reciteerden |
| zij | reciteren | reciteerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gereciteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gereciteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gereciteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gereciteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gereciteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gereciteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gereciteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gereciteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gereciteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gereciteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereciteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gereciteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gereciteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gereciteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gereciteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gereciteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gereciteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gereciteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gereciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereciteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gereciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gereciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gereciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereciteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reciteer | gebiedende wijs |
| reciteerde | verleden tijd |
| recitere | aanvoegende wijs |
| reciterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gereciteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te reciteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen reciteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gereciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gereciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gereciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal reciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal reciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal reciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gereciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gereciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gereciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou reciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou reciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou reciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gereciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gereciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gereciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden reciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden reciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden reciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gereciteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt reciteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gereciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gereciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gereciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen reciteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen reciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen reciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen reciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gereciteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult reciteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voordragen’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van reciteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gereciteerd | voltooid deelwoord | reciteren |
| gereciteerde | woordvorm | reciteren |
| reciteer | gebiedende wijs | reciteren |
| reciteerde | verleden tijd | reciteren |
| reciteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | reciteren |
| reciteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | reciteren |
| recitere | aanvoegende wijs | reciteren |
| reciterend | onvoltooid deelwoord | reciteren |
| reciterende | woordvorm | reciteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van reciteren zijn vastgelegd.