Naar de inhoud

rangschikken

een bepaalde volgorde in iets aanbrengen

rangschikken

werkwoord

Betekenis

  1. een bepaalde volgorde in iets aanbrengen

Vervoeging van rangschikken

rangschikkenhele werkwoord — rangschikteverleden tijd enkelvoud — rangschiktenverleden tijd meervoud — gerangschiktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rangschik rangschikte
jij rangschikt rangschikte
hij, zij, het rangschikt rangschikte
wij rangschikken rangschikten
jullie rangschikken rangschikten
zij rangschikken rangschikten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gerangschikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gerangschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gerangschikt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gerangschikt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gerangschikt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gerangschikt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gerangschikt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gerangschikt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gerangschikt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gerangschikt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gerangschikt verleden tijd, deelwoord
gerangschikt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gerangschikt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gerangschikt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerangschikt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerangschikt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerangschikt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gerangschikt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gerangschikt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gerangschikt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gerangschikt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gerangschikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gerangschikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gerangschikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gerangschikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gerangschikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gerangschikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gerangschikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gerangschikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerangschikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gerangschikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerangschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gerangschikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gerangschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerangschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerangschikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gerangschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gerangschikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
rangschik gebiedende wijs
rangschikke aanvoegende wijs
rangschikkend onvoltooid, deelwoord
rangschikte verleden tijd
te hebben gerangschikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te rangschikken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen rangschikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gerangschikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gerangschikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gerangschikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gerangschikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gerangschikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gerangschikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gerangschikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gerangschikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gerangschikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gerangschikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gerangschikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gerangschikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gerangschikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gerangschikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gerangschikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gerangschikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gerangschikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gerangschikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gerangschikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gerangschikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gerangschikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerangschikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gerangschikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gerangschikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerangschikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gerangschikt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerangschikt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal rangschikken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal rangschikken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal rangschikken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gerangschikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gerangschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gerangschikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gerangschikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gerangschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerangschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerangschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gerangschikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerangschikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gerangschikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerangschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerangschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerangschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou rangschikken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou rangschikken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou rangschikken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gerangschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerangschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerangschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gerangschikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gerangschikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gerangschikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gerangschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerangschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerangschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden rangschikken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden rangschikken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden rangschikken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gerangschikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gerangschikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gerangschikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt rangschikken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gerangschikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerangschikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerangschikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gerangschikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gerangschikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gerangschikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gerangschikt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerangschikt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerangschikt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen rangschikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen rangschikken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen rangschikken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen rangschikken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gerangschikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gerangschikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gerangschikt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult rangschikken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘indelen in groepen’ voor het eerst aangetroffen in 1785

Woordfamilie van rangschikken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gerangschikt voltooid deelwoord rangschikken
rangschik gebiedende wijs rangschikken
rangschikke aanvoegende wijs rangschikken
rangschikkend onvoltooid deelwoord rangschikken
rangschikkende woordvorm rangschikken
rangschikt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon rangschikken
rangschikte verleden tijd rangschikken
rangschikten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon rangschikken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rangschikken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over rangschikken

Wat is de betekenis van rangschikken?
Rangschikken is een werkwoord. De betekenis is: een bepaalde volgorde in iets aanbrengen.
Hoe vervoeg ik rangschikken?
Zo vervoeg je rangschikken zo: de tegenwoordige tijd is rangschik, de verleden tijd is rangschikte en het voltooid deelwoord is gerangschikt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord rangschikken is 27 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. A 1
  3. N 1
  4. G 3
  5. S 2
  6. C 5
  7. H 4
  8. I 1
  9. K 3
  10. K 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 27 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

rangschikken levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 114 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. A 1
  3. N 1
  4. G 3
  5. S 2
  6. C 5
  7. H 4
  8. I 2
  9. K 3
  10. K 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 28 zonder bonus
  14. 114 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

rangschikken in het kort

rangschikken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van rangschikken staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort rangschikken bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

rangschikken: een bepaalde volgorde in iets aanbrengen
Deel rangschikken — standaardnederlands.nl