rangeren
werkwoordBetekenis
- splitsen en samenvoegen
Vervoeging van rangeren
rangerenhele werkwoord — rangeerdeverleden tijd enkelvoud — rangeerdenverleden tijd meervoud — gerangeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rangeer | rangeerde |
| jij | rangeert | rangeerde |
| hij, zij, het | rangeert | rangeerde |
| wij | rangeren | rangeerden |
| jullie | rangeren | rangeerden |
| zij | rangeren | rangeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gerangeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerangeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerangeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerangeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerangeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerangeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerangeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerangeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerangeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gerangeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerangeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerangeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerangeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerangeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerangeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerangeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerangeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerangeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerangeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerangeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerangeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerangeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerangeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerangeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerangeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerangeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rangeer | gebiedende wijs |
| rangeerde | verleden tijd |
| rangere | aanvoegende wijs |
| rangerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerangeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rangeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rangeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerangeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerangeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerangeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rangeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rangeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rangeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerangeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerangeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerangeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rangeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rangeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rangeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerangeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerangeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerangeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rangeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rangeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rangeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerangeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rangeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerangeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerangeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerangeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rangeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rangeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rangeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rangeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerangeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rangeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘treinen of spoorwagons in volgorde plaatsen’ voor het eerst aangetroffen in 1876
Woordfamilie van rangeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerangeerd | voltooid deelwoord | rangeren |
| gerangeerde | woordvorm | rangeren |
| rangeer | gebiedende wijs | rangeren |
| rangeerde | verleden tijd | rangeren |
| rangeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rangeren |
| rangeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rangeren |
| rangere | aanvoegende wijs | rangeren |
| rangerend | onvoltooid deelwoord | rangeren |
| rangerende | woordvorm | rangeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rangeren zijn vastgelegd.