Naar de inhoud

manoeuvreren

besturen, laten bewegen van voertuigen

manoeuvreren

werkwoord

Betekenis

  1. besturen, laten bewegen van voertuigen
  2. manipuleren van mensen

Vervoeging van manoeuvreren

manoeuvrerenhele werkwoord — manoeuvreerdeverleden tijd enkelvoud — manoeuvreerdenverleden tijd meervoud — gemanoeuvreerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik manoeuvreer manoeuvreerde
jij manoeuvreert manoeuvreerde
hij, zij, het manoeuvreert manoeuvreerde
wij manoeuvreren manoeuvreerden
jullie manoeuvreren manoeuvreerden
zij manoeuvreren manoeuvreerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gemanoeuvreerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gemanoeuvreerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gemanoeuvreerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gemanoeuvreerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gemanoeuvreerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gemanoeuvreerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gemanoeuvreerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gemanoeuvreerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gemanoeuvreerd verleden tijd, deelwoord
gemanoeuvreerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gemanoeuvreerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gemanoeuvreerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gemanoeuvreerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gemanoeuvreerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gemanoeuvreerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gemanoeuvreerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gemanoeuvreerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gemanoeuvreerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gemanoeuvreerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemanoeuvreerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gemanoeuvreerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemanoeuvreerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gemanoeuvreerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gemanoeuvreerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemanoeuvreerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemanoeuvreerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
manoeuvreer gebiedende wijs
manoeuvreerde verleden tijd
manoeuvrere aanvoegende wijs
manoeuvrerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gemanoeuvreerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te manoeuvreren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen manoeuvreren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gemanoeuvreerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gemanoeuvreerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gemanoeuvreerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal manoeuvreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal manoeuvreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal manoeuvreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gemanoeuvreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gemanoeuvreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gemanoeuvreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou manoeuvreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou manoeuvreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou manoeuvreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gemanoeuvreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gemanoeuvreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gemanoeuvreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden manoeuvreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden manoeuvreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden manoeuvreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gemanoeuvreerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt manoeuvreren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gemanoeuvreerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gemanoeuvreerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gemanoeuvreerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen manoeuvreren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen manoeuvreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen manoeuvreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen manoeuvreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gemanoeuvreerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult manoeuvreren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse manoeuvrer of manœuvrer (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van manoeuvreren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gemanoeuvreerd voltooid deelwoord manoeuvreren
gemanoeuvreerde woordvorm manoeuvreren
maneuvreren woordvorm manoeuvreren
manoeuvreer gebiedende wijs manoeuvreren
manoeuvreerde verleden tijd manoeuvreren
manoeuvreerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon manoeuvreren
manoeuvreert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon manoeuvreren
manoeuvrere aanvoegende wijs manoeuvreren
manoeuvrerend onvoltooid deelwoord manoeuvreren
manoeuvrerende woordvorm manoeuvreren
gemaneuvreerd woordvorm gemanoeuvreerd
maneuvreer gebiedende wijs maneuvreren
maneuvreerde woordvorm manoeuvreerde
maneuvreerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon maneuvreren
maneuvreert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon maneuvreren
maneuvrere aanvoegende wijs maneuvreren
maneuvrerend woordvorm manoeuvrerend
maneuvrerende woordvorm maneuvreren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van manoeuvreren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over manoeuvreren

Wat betekent manoeuvreren?
Manoeuvreren is een werkwoord. Het woord betekent: besturen, laten bewegen van voertuigen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je manoeuvreren?
Je vervoegt manoeuvreren als volgt: de tegenwoordige tijd is manoeuvreer, de verleden tijd is manoeuvreerde en het voltooid deelwoord is gemanoeuvreerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord manoeuvreren is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. A 1
  3. N 1
  4. O 1
  5. E 1
  6. U 4
  7. V 4
  8. R 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

manoeuvreren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. A 1
  3. N 1
  4. O 1
  5. E 1
  6. U 2
  7. V 4
  8. R 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 20 zonder bonus
  14. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

manoeuvreren in het kort

manoeuvreren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van manoeuvreren zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort manoeuvreren bij een woordfamilie van 18 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

manoeuvreren: besturen, laten bewegen van voertuigen
Deel manoeuvreren — standaardnederlands.nl