Naar de inhoud

propageren

het beïnvloeden van de publieke opinie voor een meestal niet-commercieel doel, vaak gaat het om een politiek doel.

propageren

werkwoord

Betekenis

  1. het beïnvloeden van de publieke opinie voor een meestal niet-commercieel doel, vaak gaat het om een politiek doel.

Vervoeging van propageren

propagerenhele werkwoord — propageerdeverleden tijd enkelvoud — propageerdenverleden tijd meervoud — gepropageerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik propageer propageerde
jij propageert propageerde
hij, zij, het propageert propageerde
wij propageren propageerden
jullie propageren propageerden
zij propageren propageerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gepropageerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gepropageerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gepropageerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gepropageerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gepropageerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gepropageerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gepropageerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gepropageerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gepropageerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gepropageerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gepropageerd verleden tijd, deelwoord
gepropageerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gepropageerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gepropageerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepropageerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepropageerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepropageerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gepropageerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gepropageerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gepropageerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gepropageerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gepropageerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gepropageerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gepropageerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gepropageerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gepropageerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gepropageerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gepropageerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gepropageerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepropageerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gepropageerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepropageerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gepropageerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gepropageerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepropageerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepropageerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gepropageerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gepropageerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
propageer gebiedende wijs
propageerde verleden tijd
propagere aanvoegende wijs
propagerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gepropageerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te propageren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen propageren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gepropageerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gepropageerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gepropageerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gepropageerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gepropageerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gepropageerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gepropageerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gepropageerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gepropageerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gepropageerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gepropageerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gepropageerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gepropageerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gepropageerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gepropageerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gepropageerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gepropageerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gepropageerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gepropageerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gepropageerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gepropageerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepropageerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gepropageerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gepropageerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepropageerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gepropageerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepropageerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal propageren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal propageren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal propageren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gepropageerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gepropageerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gepropageerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gepropageerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gepropageerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepropageerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepropageerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gepropageerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepropageerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gepropageerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepropageerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepropageerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepropageerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou propageren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou propageren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou propageren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gepropageerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepropageerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepropageerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gepropageerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gepropageerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gepropageerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gepropageerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepropageerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepropageerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden propageren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden propageren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden propageren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gepropageerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gepropageerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gepropageerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt propageren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gepropageerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepropageerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepropageerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gepropageerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gepropageerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gepropageerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gepropageerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepropageerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepropageerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen propageren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen propageren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen propageren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen propageren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gepropageerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gepropageerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gepropageerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult propageren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse propager (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van propageren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
propageer gebiedende wijs propageren
propageerde verleden tijd propageren
propageerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon propageren
propageert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon propageren
propagere aanvoegende wijs propageren
propagerend onvoltooid deelwoord propageren
propagerende woordvorm propageren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van propageren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over propageren

Wat is de betekenis van propageren?
Propageren is een werkwoord. De betekenis is: het beïnvloeden van de publieke opinie voor een meestal niet-commercieel doel, vaak gaat het om een politiek doel.
Hoe vervoeg ik propageren?
Zo vervoeg je propageren zo: de tegenwoordige tijd is propageer, de verleden tijd is propageerde en het voltooid deelwoord is gepropageerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord propageren is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. R 2
  3. O 1
  4. P 3
  5. A 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

propageren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. R 2
  3. O 1
  4. P 4
  5. A 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

propageren in het kort

propageren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van propageren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort propageren bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

propageren: het beïnvloeden van de publieke opinie voor een meestal niet-commercieel doel, vaak gaat het om een politiek doel.
Deel propageren — standaardnederlands.nl