Naar de inhoud

verspreiden

in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden

verspreiden

werkwoord

Betekenis

  1. in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden
  2. zich ~: een proces van uitbreiding ondergaan

Vervoeging van verspreiden

verspreidenhele werkwoord — verspreiddeverleden tijd enkelvoud — verspreiddenverleden tijd meervoud — verspreidvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verspreid verspreidde
jij verspreidt verspreidde
hij, zij, het verspreidt verspreidde
wij verspreiden verspreidden
jullie verspreiden verspreidden
zij verspreiden verspreidden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben verspreid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verspreid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verspreid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verspreid impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verspreid impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verspreid impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verspreid worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verspreid zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verspreid worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verspreid zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verspreid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verspreid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verspreid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verspreid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verspreid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verspreid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verspreid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verspreid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verspreid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verspreid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verspreid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verspreid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verspreid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verspreid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verspreid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verspreid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verspreid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verspreid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verspreiden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verspreiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verspreid gebiedende wijs
verspreid verleden tijd, deelwoord
verspreid me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verspreid te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verspreid te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verspreid te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verspreid te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verspreid te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verspreid u/je , verspreidt je gebiedende wijs
verspreid worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verspreid zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verspreid zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verspreid zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verspreid zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verspreidde verleden tijd
verspreidde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verspreidde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
verspreidde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
verspreidde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verspreidde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
verspreidde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
verspreidde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verspreidden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verspreidden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
verspreidden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
verspreide aanvoegende wijs
verspreide zich aanvoegende wijs
verspreiden je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verspreiden ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verspreiden zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verspreidend onvoltooid, deelwoord
verspreidt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verspreidt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verspreidt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verspreidt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verspreidt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verspreidt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
waart verspreid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verspreid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verspreid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verspreid voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verspreid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verspreid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verspreid voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verspreid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verspreid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verspreid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verspreid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verspreid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verspreid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verspreid enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verspreid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verspreid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verspreid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verspreid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verspreid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verspreid enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me verspreiden eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal verspreid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verspreid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verspreid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verspreid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verspreid worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verspreid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verspreid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verspreiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verspreiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verspreiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich verspreiden derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je verspreiden tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich verspreid hebben verleden tijd
zich verspreidend onvoltooid, deelwoord
zijn verspreid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verspreid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verspreid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verspreid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verspreid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verspreid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verspreid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verspreid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verspreid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verspreid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verspreid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verspreid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verspreid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verspreiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verspreiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verspreiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden verspreid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verspreid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verspreid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verspreid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verspreid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verspreid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verspreid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verspreid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verspreid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verspreiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verspreiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verspreiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt verspreid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verspreid worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verspreid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verspreiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen je verspreiden tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons verspreiden eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen verspreid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verspreid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van spreiden met het voorvoegsel ver-

Woordfamilie van verspreiden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
verspreidde verleden tijd verspreiden
verspreidden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verspreiden
verspreidend onvoltooid deelwoord verspreiden
verspreidende woordvorm verspreiden
verspreidt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon verspreiden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verspreiden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over verspreiden

Wat is de betekenis van verspreiden?
Verspreiden is een werkwoord. De betekenis is: in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik verspreiden?
Zo vervoeg je verspreiden zo: de tegenwoordige tijd is verspreid, de verleden tijd is verspreidde en het voltooid deelwoord is verspreid. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verspreiden is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. S 2
  5. P 3
  6. R 2
  7. E 1
  8. I 1
  9. D 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verspreiden levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. S 2
  5. P 4
  6. R 2
  7. E 1
  8. I 2
  9. D 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verspreiden in het kort

verspreiden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van verspreiden staan er 102 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort verspreiden bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

verspreiden: in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden
Deel verspreiden — standaardnederlands.nl