promoveren
werkwoordBetekenis
- vooruitgaan, een betere positie bereiken
- de doktorstitel behalen na het schrijven van een proefschrift
Vervoeging van promoveren
promoverenhele werkwoord — promoveerdeverleden tijd enkelvoud — promoveerdenverleden tijd meervoud — gepromoveerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | promoveer | promoveerde |
| jij | promoveert | promoveerde |
| hij, zij, het | promoveert | promoveerde |
| wij | promoveren | promoveerden |
| jullie | promoveren | promoveerden |
| zij | promoveren | promoveerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gepromoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gepromoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gepromoveerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepromoveerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepromoveerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepromoveerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepromoveerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepromoveerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepromoveerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepromoveerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepromoveerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepromoveerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepromoveerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepromoveerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepromoveerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepromoveerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepromoveerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepromoveerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepromoveerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepromoveerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepromoveerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepromoveerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepromoveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepromoveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepromoveerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepromoveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepromoveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepromoveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepromoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepromoveerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepromoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepromoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepromoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepromoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepromoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepromoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gepromoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gepromoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| promoveer | gebiedende wijs |
| promoveerde | verleden tijd |
| promovere | aanvoegende wijs |
| promoverend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepromoveerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te promoveren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen promoveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gepromoveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepromoveerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gepromoveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepromoveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gepromoveerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gepromoveerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gepromoveerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gepromoveerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gepromoveerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gepromoveerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gepromoveerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gepromoveerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gepromoveerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gepromoveerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gepromoveerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gepromoveerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gepromoveerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gepromoveerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gepromoveerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gepromoveerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gepromoveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepromoveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepromoveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gepromoveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepromoveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gepromoveerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepromoveerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal promoveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal promoveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal promoveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gepromoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gepromoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gepromoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gepromoveerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gepromoveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepromoveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepromoveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gepromoveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepromoveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gepromoveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepromoveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepromoveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepromoveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou promoveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou promoveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou promoveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepromoveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepromoveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepromoveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepromoveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gepromoveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gepromoveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepromoveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepromoveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepromoveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden promoveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden promoveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden promoveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepromoveerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepromoveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepromoveerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt promoveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepromoveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepromoveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepromoveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepromoveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gepromoveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gepromoveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepromoveerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepromoveerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepromoveerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen promoveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen promoveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen promoveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen promoveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepromoveerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepromoveerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepromoveerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult promoveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bevorderen’ voor het eerst aangetroffen in 1276
Woordfamilie van promoveren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| promoveer | gebiedende wijs | promoveren |
| promoveerde | verleden tijd | promoveren |
| promoveerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | promoveren |
| promoveert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | promoveren |
| promovere | aanvoegende wijs | promoveren |
| promoverend | onvoltooid deelwoord | promoveren |
| promoverende | woordvorm | promoveren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van promoveren zijn vastgelegd.