profiteren
werkwoordBetekenis
- ~ van baat hebben bij iets, winst boeken van iets
Vervoeging van profiteren
profiterenhele werkwoord — profiteerdeverleden tijd enkelvoud — profiteerdenverleden tijd meervoud — geprofiteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | profiteer | profiteerde |
| jij | profiteert | profiteerde |
| hij, zij, het | profiteert | profiteerde |
| wij | profiteren | profiteerden |
| jullie | profiteren | profiteerden |
| zij | profiteren | profiteerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geprofiteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geprofiteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geprofiteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geprofiteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geprofiteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geprofiteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geprofiteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geprofiteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geprofiteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geprofiteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprofiteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geprofiteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geprofiteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geprofiteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geprofiteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geprofiteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geprofiteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geprofiteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geprofiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprofiteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geprofiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprofiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geprofiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geprofiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprofiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprofiteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| profiteer | gebiedende wijs |
| profiteerde | verleden tijd |
| profitere | aanvoegende wijs |
| profiterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geprofiteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te profiteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen profiteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geprofiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprofiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geprofiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal profiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal profiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal profiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geprofiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprofiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprofiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou profiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou profiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou profiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geprofiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geprofiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geprofiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden profiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden profiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden profiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geprofiteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt profiteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geprofiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geprofiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geprofiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen profiteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen profiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen profiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen profiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geprofiteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult profiteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voordeel trekken’ voor het eerst aangetroffen in 1451
Woordfamilie van profiteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geprofiteerd | voltooid deelwoord | profiteren |
| profiteer | gebiedende wijs | profiteren |
| profiteerde | verleden tijd | profiteren |
| profiteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | profiteren |
| profiteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | profiteren |
| profitere | aanvoegende wijs | profiteren |
| profiterend | onvoltooid deelwoord | profiteren |
| profiterende | woordvorm | profiteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van profiteren zijn vastgelegd.