prepareren
werkwoordBetekenis
- in gereedheid brengen, voorbereiden
- bewerken
- opzetten
- klaarmaken voor microscopisch of anatomisch onderzoek
Vervoeging van prepareren
preparerenhele werkwoord — prepareerdeverleden tijd enkelvoud — prepareerdenverleden tijd meervoud — geprepareerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | prepareer | prepareerde |
| jij | prepareert | prepareerde |
| hij, zij, het | prepareert | prepareerde |
| wij | prepareren | prepareerden |
| jullie | prepareren | prepareerden |
| zij | prepareren | prepareerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geprepareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geprepareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geprepareerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geprepareerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geprepareerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geprepareerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geprepareerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geprepareerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geprepareerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geprepareerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geprepareerd | verleden tijd, deelwoord |
| geprepareerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geprepareerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geprepareerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprepareerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprepareerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprepareerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geprepareerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geprepareerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geprepareerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geprepareerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geprepareerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geprepareerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geprepareerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geprepareerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geprepareerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geprepareerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geprepareerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geprepareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprepareerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geprepareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprepareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geprepareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geprepareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprepareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprepareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geprepareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geprepareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| prepareer | gebiedende wijs |
| prepareerde | verleden tijd |
| preparere | aanvoegende wijs |
| preparerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geprepareerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te prepareren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen prepareren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geprepareerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geprepareerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geprepareerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geprepareerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geprepareerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geprepareerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geprepareerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geprepareerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geprepareerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geprepareerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geprepareerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geprepareerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geprepareerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geprepareerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geprepareerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geprepareerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geprepareerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geprepareerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geprepareerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geprepareerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geprepareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprepareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geprepareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geprepareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprepareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geprepareerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprepareerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal prepareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal prepareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal prepareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geprepareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geprepareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geprepareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geprepareerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geprepareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprepareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprepareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geprepareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprepareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geprepareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprepareerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprepareerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprepareerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou prepareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou prepareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou prepareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geprepareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geprepareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geprepareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geprepareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geprepareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geprepareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geprepareerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geprepareerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geprepareerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden prepareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden prepareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden prepareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geprepareerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geprepareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geprepareerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt prepareren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geprepareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geprepareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geprepareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geprepareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geprepareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geprepareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geprepareerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geprepareerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geprepareerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen prepareren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen prepareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen prepareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen prepareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geprepareerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geprepareerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geprepareerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult prepareren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voorbereiden’ voor het eerst aangetroffen in 1537
Woordfamilie van prepareren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geprepareerd | voltooid deelwoord | prepareren |
| geprepareerde | woordvorm | prepareren |
| prepareer | gebiedende wijs | prepareren |
| prepareerde | verleden tijd | prepareren |
| prepareerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | prepareren |
| prepareert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | prepareren |
| preparere | aanvoegende wijs | prepareren |
| preparerend | onvoltooid deelwoord | prepareren |
| preparerende | woordvorm | prepareren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prepareren zijn vastgelegd.