Naar de inhoud

prepareren

in gereedheid brengen, voorbereiden

prepareren

werkwoord

Betekenis

  1. in gereedheid brengen, voorbereiden
  2. bewerken
  3. opzetten
  4. klaarmaken voor microscopisch of anatomisch onderzoek

Vervoeging van prepareren

preparerenhele werkwoord — prepareerdeverleden tijd enkelvoud — prepareerdenverleden tijd meervoud — geprepareerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik prepareer prepareerde
jij prepareert prepareerde
hij, zij, het prepareert prepareerde
wij prepareren prepareerden
jullie prepareren prepareerden
zij prepareren prepareerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geprepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geprepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geprepareerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geprepareerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geprepareerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geprepareerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geprepareerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geprepareerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geprepareerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geprepareerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geprepareerd verleden tijd, deelwoord
geprepareerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geprepareerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geprepareerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprepareerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprepareerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprepareerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geprepareerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geprepareerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geprepareerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geprepareerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geprepareerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geprepareerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geprepareerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geprepareerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geprepareerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geprepareerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geprepareerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geprepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprepareerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geprepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geprepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geprepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geprepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geprepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
prepareer gebiedende wijs
prepareerde verleden tijd
preparere aanvoegende wijs
preparerend onvoltooid, deelwoord
te hebben geprepareerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te prepareren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen prepareren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geprepareerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geprepareerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geprepareerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geprepareerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geprepareerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geprepareerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geprepareerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geprepareerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geprepareerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geprepareerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geprepareerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geprepareerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geprepareerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geprepareerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geprepareerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geprepareerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geprepareerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geprepareerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geprepareerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geprepareerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geprepareerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprepareerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geprepareerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geprepareerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprepareerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geprepareerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprepareerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal prepareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal prepareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal prepareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geprepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geprepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geprepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geprepareerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geprepareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprepareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprepareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geprepareerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprepareerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geprepareerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprepareerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprepareerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprepareerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou prepareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou prepareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou prepareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geprepareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geprepareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geprepareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geprepareerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geprepareerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geprepareerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geprepareerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geprepareerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geprepareerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden prepareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden prepareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden prepareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geprepareerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geprepareerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geprepareerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt prepareren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geprepareerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geprepareerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geprepareerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geprepareerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geprepareerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geprepareerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geprepareerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geprepareerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geprepareerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen prepareren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen prepareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen prepareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen prepareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geprepareerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geprepareerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geprepareerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult prepareren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voorbereiden’ voor het eerst aangetroffen in 1537

Woordfamilie van prepareren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geprepareerd voltooid deelwoord prepareren
geprepareerde woordvorm prepareren
prepareer gebiedende wijs prepareren
prepareerde verleden tijd prepareren
prepareerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon prepareren
prepareert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon prepareren
preparere aanvoegende wijs prepareren
preparerend onvoltooid deelwoord prepareren
preparerende woordvorm prepareren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prepareren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over prepareren

Wat betekent prepareren?
Prepareren is een werkwoord. Het woord betekent: in gereedheid brengen, voorbereiden. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je prepareren?
Je vervoegt prepareren als volgt: de tegenwoordige tijd is prepareer, de verleden tijd is prepareerde en het voltooid deelwoord is geprepareerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord prepareren is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. R 2
  3. E 1
  4. P 3
  5. A 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

prepareren levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. R 2
  3. E 1
  4. P 4
  5. A 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

prepareren in het kort

prepareren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van prepareren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort prepareren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

prepareren: in gereedheid brengen, voorbereiden
Deel prepareren — standaardnederlands.nl