pralen
werkwoordBetekenis
- of op een andere manier laten schitteren, prachtig vertonen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van pralen
pralenhele werkwoord — praaldeverleden tijd enkelvoud — praaldenverleden tijd meervoud — gepraaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | praal | praalde |
| jij | praalt | praalde |
| hij, zij, het | praalt | praalde |
| wij | pralen | praalden |
| jullie | pralen | praalden |
| zij | pralen | praalden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepraald | verleden tijd, deelwoord |
| gepraald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepraald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepraald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepraald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepraald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepraald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepraald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepraald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepraald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepraald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepraald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepraald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepraald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepraald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepraald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepraald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepraald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| praal | gebiedende wijs |
| praalde | verleden tijd |
| prale | aanvoegende wijs |
| pralend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepraald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te pralen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen pralen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepraald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepraald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepraald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal pralen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal pralen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal pralen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepraald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepraald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepraald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou pralen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou pralen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou pralen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepraald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepraald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepraald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden pralen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden pralen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden pralen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepraald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt pralen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepraald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepraald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepraald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen pralen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen pralen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen pralen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen pralen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepraald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult pralen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘pronken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Woordfamilie van pralen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepraald | voltooid deelwoord | pralen |
| praalde | verleden tijd | pralen |
| praalden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | pralen |
| praalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | pralen |
| prale | aanvoegende wijs | pralen |
| pralend | onvoltooid deelwoord | pralen |
| pralende | woordvorm | pralen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pralen zijn vastgelegd.