Naar de inhoud

pralen

of op een andere manier laten schitteren, prachtig vertonen

pralen

werkwoord

Betekenis

  1. of op een andere manier laten schitteren, prachtig vertonen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van pralen

pralenhele werkwoord — praaldeverleden tijd enkelvoud — praaldenverleden tijd meervoud — gepraaldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik praal praalde
jij praalt praalde
hij, zij, het praalt praalde
wij pralen praalden
jullie pralen praalden
zij pralen praalden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gepraald verleden tijd, deelwoord
gepraald te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepraald zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gepraald voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gepraald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gepraald voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gepraald voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gepraald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gepraald voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gepraald voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gepraald voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepraald actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gepraald voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepraald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gepraald voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gepraald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepraald voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepraald voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
praal gebiedende wijs
praalde verleden tijd
prale aanvoegende wijs
pralend onvoltooid, deelwoord
te hebben gepraald actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te pralen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen pralen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gepraald hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepraald hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gepraald hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal pralen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal pralen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal pralen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gepraald hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepraald hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepraald hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou pralen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou pralen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou pralen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gepraald hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepraald hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepraald hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden pralen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden pralen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden pralen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gepraald hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt pralen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gepraald hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepraald hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepraald hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen pralen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen pralen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen pralen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen pralen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gepraald hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult pralen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘pronken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599

Woordfamilie van pralen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gepraald voltooid deelwoord pralen
praalde verleden tijd pralen
praalden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon pralen
praalt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon pralen
prale aanvoegende wijs pralen
pralend onvoltooid deelwoord pralen
pralende woordvorm pralen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pralen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over pralen

Wat is de betekenis van pralen?
Pralen is een werkwoord. De betekenis is: of op een andere manier laten schitteren, prachtig vertonen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik pralen?
Zo vervoeg je pralen zo: de tegenwoordige tijd is praal, de verleden tijd is praalde en het voltooid deelwoord is gepraald. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord pralen is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. R 2
  3. A 1
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

pralen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. R 2
  3. A 1
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 zonder bonus
  8. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

pralen telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

pralen in het kort

pralen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van pralen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort pralen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

pralen: of op een andere manier laten schitteren, prachtig vertonen
Deel pralen — standaardnederlands.nl