pokeren
werkwoordBetekenis
- een bepaald spel spelen waarin op een hand kaarten gewed wordt
Vervoeging van pokeren
pokerenhele werkwoord — pokerdeverleden tijd enkelvoud — pokerdenverleden tijd meervoud — gepokerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | poker | pokerde |
| jij | pokert | pokerde |
| hij, zij, het | pokert | pokerde |
| wij | pokeren | pokerden |
| jullie | pokeren | pokerden |
| zij | pokeren | pokerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gepokerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepokerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepokerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepokerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepokerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepokerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepokerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepokerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepokerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepokerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepokerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepokerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepokerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepokerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepokerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepokerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepokerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepokerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepokerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepokerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepokerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepokerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepokerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepokerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepokerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepokerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| poker | gebiedende wijs |
| pokerde | verleden tijd |
| pokere | aanvoegende wijs |
| pokerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepokerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te pokeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen pokeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepokerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepokerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepokerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal pokeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal pokeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal pokeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepokerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepokerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepokerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou pokeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou pokeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou pokeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepokerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepokerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepokerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden pokeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden pokeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden pokeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepokerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt pokeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepokerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepokerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepokerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen pokeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen pokeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen pokeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen pokeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepokerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult pokeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse poker ? (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van pokeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepokerd | voltooid deelwoord | pokeren |
| pokerde | verleden tijd | pokeren |
| pokerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | pokeren |
| pokere | aanvoegende wijs | pokeren |
| pokerend | onvoltooid deelwoord | pokeren |
| pokerende | woordvorm | pokeren |
| pokert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | pokeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pokeren zijn vastgelegd.