poets
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- grap die men met iemand uithaalt
- vloeibaar hulpmiddel om mee te poetsen, smeer
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- grap die men met iemand uithaalt (vooral in de uitdrukking [iemand] een poets bakken)
- vloeibaar hulpmiddel om iets mee te poetsen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| poetsen | meervoud |
| poetsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| poetsjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poetsen
- gebiedende wijs van poetsen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poetsen
Vervoeging van poets
poetshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘grap’ voor het eerst aangetroffen in 1671
Woordfamilie van poets
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| poetsje | verkleinwoord | poets |
| poetsjes | verkleinwoord meervoud | poets |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van poets zijn vastgelegd.