poepen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈpupə(n)Betekenis
- poep uitwerpen, zijn behoefte doen
- winden laten
- (gewestelijk) bevallen
- 2 etymologiebank.nl (neuken)
Hoe spreek je poepen uit?
/ˈpupən/
Poepen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| u | boek |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- bevallen unergative
- geslachtsgemeenschap hebben transitive
Vervoeging van poepen
poepenhele werkwoord — poepteverleden tijd enkelvoud — poeptenverleden tijd meervoud — gepoeptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | poep | poepte |
| jij | poept | poepte |
| hij, zij, het | poept | poepte |
| wij | poepen | poepten |
| jullie | poepen | poepten |
| zij | poepen | poepten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepoept | verleden tijd, deelwoord |
| gepoept te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepoept zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepoept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepoept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepoept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepoept | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepoept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepoept | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepoept | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepoept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepoept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepoept | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepoept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepoept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepoept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepoept | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepoept | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| poep | gebiedende wijs |
| poepe | aanvoegende wijs |
| poepend | onvoltooid, deelwoord |
| poepte | verleden tijd |
| te hebben gepoept | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te poepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen poepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepoept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepoept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepoept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal poepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal poepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal poepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou poepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou poepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou poepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden poepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden poepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden poepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepoept hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt poepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepoept hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepoept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepoept hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen poepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen poepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen poepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen poepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepoept hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult poepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord poep
Herkomst
[1], [2], [3] denominaal gevormd van poep "wind" met het achtervoegsel -en, in de betekenis van ‘zijn gevoeg doen’ voor het eerst aangetroffen in 1889
Woordfamilie van poepen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepoept | voltooid deelwoord | poepen |
| gepoepte | woordvorm | poepen |
| poepe | aanvoegende wijs | poepen |
| poepend | onvoltooid deelwoord | poepen |
| poepende | woordvorm | poepen |
| poept | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | poepen |
| poepte | verleden tijd | poepen |
| poepten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | poepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van poepen zijn vastgelegd.