plenzen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- bijzonder hard regenen
- veel vloeistof ineens uitstorten
Vervoeging van plenzen
plenzenhele werkwoord — plensdeverleden tijd enkelvoud — plensdenverleden tijd meervoud — geplensdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | plens | plensde |
| jij | plenst | plensde |
| hij, zij, het | plenst | plensde |
| wij | plenzen | plensden |
| jullie | plenzen | plensden |
| zij | plenzen | plensden |
Alle 129 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geplensd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geplensd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geplensd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geplensd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geplensd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geplensd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geplensd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geplensd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geplensd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geplensd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geplensd | verleden tijd, deelwoord |
| geplensd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geplensd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geplensd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplensd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplensd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplensd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geplensd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geplensd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geplensd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geplensd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geplensd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geplensd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geplensd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geplensd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geplensd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geplensd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geplensd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geplensd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geplensd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geplensd | verleden tijd, deelwoord |
| hebben geplensd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geplensd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geplensd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geplensd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geplensd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geplensd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geplensd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geplensd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| plens | gebiedende wijs |
| plensde | verleden tijd |
| plenst | tegenwoordige tijd |
| plenze | aanvoegende wijs |
| plenzend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geplensd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te plenzen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen plenzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geplensd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geplensd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geplensd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geplensd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geplensd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geplensd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geplensd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geplensd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geplensd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geplensd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geplensd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geplensd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geplensd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geplensd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geplensd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geplensd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geplensd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geplensd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geplensd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geplensd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geplensd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplensd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geplensd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geplensd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplensd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geplensd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplensd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal plenzen | toekomende tijd |
| zal plenzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal plenzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal plenzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geplensd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geplensd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geplensd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geplensd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geplensd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplensd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplensd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geplensd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplensd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geplensd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplensd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplensd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplensd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou plenzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou plenzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou plenzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geplensd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geplensd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geplensd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geplensd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geplensd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geplensd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geplensd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geplensd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geplensd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden plenzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden plenzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden plenzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geplensd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geplensd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geplensd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt plenzen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geplensd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geplensd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geplensd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geplensd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geplensd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geplensd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geplensd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geplensd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geplensd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen plenzen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen plenzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen plenzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen plenzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geplensd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geplensd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geplensd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult plenzen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord plens
Herkomst
In de betekenis van ‘gieten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1635
Woordfamilie van plenzen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geplensd | voltooid deelwoord | plenzen |
| geplensde | woordvorm | plenzen |
| plensde | verleden tijd | plenzen |
| plensden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | plenzen |
| plenst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | plenzen |
| plenze | aanvoegende wijs | plenzen |
| plenzend | onvoltooid deelwoord | plenzen |
| plenzende | woordvorm | plenzen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plenzen zijn vastgelegd.