plenum
zelfstandig naamwoordBetekenis
- vergadering waaraan alle leden deelnemen
- met gebruik van alle (prestant) orgelregisters
- luchtverdeelkamer
- ruimte boven een systeem plafond
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| plenums | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘voltallige vergadering’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847
Woordfamilie van plenum
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plenums | meervoud | plenum |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plenum zijn vastgelegd.