Naar de inhoud

planteren

de raderen van een uurwerk stellen en vastzetten

planteren

werkwoord

Betekenis

  1. de raderen van een uurwerk stellen en vastzetten

Vervoeging van planteren

planterenhele werkwoord — planteerdeverleden tijd enkelvoud — planteerdenverleden tijd meervoud — geplanteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik planteer planteerde
jij planteert planteerde
hij, zij, het planteert planteerde
wij planteren planteerden
jullie planteren planteerden
zij planteren planteerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geplanteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geplanteerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geplanteerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geplanteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geplanteerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geplanteerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geplanteerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geplanteerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geplanteerd verleden tijd, deelwoord
geplanteerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geplanteerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geplanteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geplanteerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geplanteerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geplanteerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geplanteerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geplanteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geplanteerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geplanteerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geplanteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geplanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geplanteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geplanteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geplanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geplanteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geplanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geplanteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
planteer gebiedende wijs
planteerde verleden tijd
plantere aanvoegende wijs
planterend onvoltooid, deelwoord
te hebben geplanteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te planteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen planteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geplanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geplanteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geplanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geplanteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geplanteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geplanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geplanteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geplanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geplanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geplanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geplanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geplanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geplanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geplanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geplanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geplanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geplanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geplanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geplanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geplanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geplanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geplanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geplanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geplanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geplanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal planteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal planteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal planteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geplanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geplanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geplanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geplanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geplanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geplanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou planteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou planteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou planteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geplanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geplanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geplanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geplanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geplanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geplanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden planteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden planteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden planteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geplanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geplanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt planteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geplanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geplanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geplanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geplanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geplanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geplanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen planteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen planteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen planteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen planteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geplanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geplanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult planteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse planter (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van planteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geplanteerd voltooid deelwoord planteren
geplanteerde woordvorm planteren
planteer gebiedende wijs planteren
planteerde verleden tijd planteren
planteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon planteren
planteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon planteren
plantere aanvoegende wijs planteren
planterend onvoltooid deelwoord planteren
planterende woordvorm planteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van planteren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over planteren

Wat betekent planteren?
Planteren is een werkwoord. Het woord betekent: de raderen van een uurwerk stellen en vastzetten.
Hoe vervoeg je planteren?
Je vervoegt planteren als volgt: de tegenwoordige tijd is planteer, de verleden tijd is planteerde en het voltooid deelwoord is geplanteerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord planteren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. L 3
  3. A 1
  4. N 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

planteren levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. L 3
  3. A 1
  4. N 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

planteren in het kort

planteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van planteren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort planteren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

planteren: de raderen van een uurwerk stellen en vastzetten
Deel planteren — standaardnederlands.nl